Na een lekker ontbijt en fijne gesprekken met Jennie trek ik rond negen uur de deur achter me dicht. De lucht trilt al licht van de warmte; vandaag wordt zo’n dag die je voelt in je benen én in je hoofd. Na anderhalve kilometer besef ik dat mijn flesje nog leeg is — op de warmste en tot nu toe zwaarste dag. Niet slim. Nog voor ik mezelf heb uitgescholden, stapt een man op me af, Vikingachtig baardwerk en een blik die zegt: dit fixen we. Flesje vol, schouders omlaag, door.
Rond half elf neem ik mijn eerste pauze, bij bijna zeven kilometer. Het ritme komt terug. Even voor elf uur zijn er al drie mensen op het bankje, één herken ik van een eerdere etappe. We praten zoals wandelaars dat doen: zonder omhaal, maar wel raak. Een dame vertelt over haar tocht én haar gevecht tegen reuma. Ze loopt kortere stukken, maar ze loopt. Ik zeg haar dat ik dat stoer vind — want dát is het.
Dan sluit Joris uit Castricum aan. Hij vertelt over jaren op Gran Canaria en hoe hij na zijn scheiding terugkwam naar Nederland. Hij lacht als hij het heeft over liften met zijn tienerzoon: vertrouwen op wat komt, samen kijken waar je uitkomt. Zo simpel kan avontuur zijn. Mooi mens ben je, Joris.
Even na elven ontmoet ik boven op de heuvel een trailrun-therapeut. Hij werkt letterlijk “op de berg”: therapeutisch hardlopen in het groen. We raken aan het praten over hoe natuur de ruis uit je hoofd kan halen. Soms werkt een pad onder je voeten beter dan een doosje pillen — niet overal, niet altijd, maar vaker dan je denkt.
Aan de voet van de berg spreek ik een stel met een Pomsky. We hebben het over bruggen bouwen op overeenkomsten in plaats van vechten over verschillen. Het klinkt bijna te simpel, maar ín gesprek merk je hoe waar het is. Bij een Rustpunt op iets over de twaalf kilometer houd ik lunchpauze; brood, drinken, schaduw. Het lijf dankt me, de dag ontspant.
In de middag rijgen de ontmoetingen zich aaneen. Er is steun, herkenning, en hier en daar een knikje dat voelt als: hé, ik ken jou toch? Ik vermoed dat er wat volgers zijn bijgekomen. Twee dames op respectabele leeftijd wijs ik, per ongeluk, even de verkeerde kant op. Gelukkig hebben ze het zelf op tijd door. We lopen een stukje samen. Eén van hen doet het hele Pieterpad, de ander schuift af en toe een etappe aan. Ze heeft een lijstje waarop vrienden en familie zich kunnen inschrijven om mee te lopen. De chemie tussen deze twee spat eraf; hun tempo, hun plezier, hun verhalen — prachtig om te zien.
In Hellendoorn strijk ik later neer bij Twents Steakhouse Noaber. Eten, water, adem. Daarna begint de jacht op een slaapplek. Het dorp zit in de feesttent en daar krijg je niemand uit; wat niet vol is, is op een feestje of verwacht logés. Zelfs een luxe hotel doet z’n best — ik krijg cassis en vriendelijke woorden — maar geen bed. Dan maar door naar Holten, denk ik. Vijftien kilometer extra. Nijverdal ligt op een derde, al loopt de route eromheen; misschien kan ik daar iets.
Ter hoogte van Nijverdal sta ik bij een kruispunt. Rechts het bos in richting Holten, rechtdoor het dorp in. Maar ik heb geen zin in onzinnige kilometers. Terwijl ik een camping probeer te bellen — tip van Linda van het Vinkersnest — stopt er een auto voor me. Ik versta de vraag niet meteen, maar bij herhaling hoor ik: “Zoek je een slaapplek?” Het blijken beheerders van een natuurcamping. Soms werkt het universum met knikjes; dit was een overduidelijke.
Vanavond slaap ik in een Zweedse schuilhut. Hoe vet is dat. De buren brengen een deken, de warmte van de dag hangt nog in de lucht, en ergens hoor ik het zachte ruisen van bomen die langer in dit land thuishoren dan ik. Het flesje dat vanmorgen leeg was, staat nu gevuld naast me. En ik denk aan iedereen die ik vandaag ontmoette: de stoere vrouw met reuma, Joris en zijn zoon, de trailrunner op de berg, het stel met de Pomsky, de dames met hun inschrijflijst, de mensen die me herkenden, en de beheerders die stopten op precies het juiste moment.