Ik las deze post van Hans Peter Roel en voelde meteen waarom dit soort thema’s me raken. De gedachte dat grote gruwel niet per se voortkomt uit monsters, maar uit gewone mensen die doen wat “het systeem” zegt, meegetrokken in de jarenlange haat zaaiende propaganda, vraagt om zorgvuldigheid. Ik wil dan precies zijn, nuchter blijven, kijken wat we wél weten en wat we er te makkelijk bij slepen. Onder die post liep het mis tussen Kees-Jan en mij, en ik zie achteraf precies waar.
Hij schreef: “Weinig hoop na corona.” Een korte zin met een heel frame erachter. Ik las het als: Kijk, dezelfde gehoorzaamheid als toen. Bij mij schoot iets in de weerstand. Ik had kunnen vragen wat hij precies bedoelde en waar hij dat aan zag. In plaats daarvan tikte ik terug dat hij nog huiswerk te doen had. Geen uitnodiging, wel een oordeel. Daarmee zet je de toon: Niet samen zoeken, maar elkaar corrigeren. Het gesprek stond meteen scheef.
Ik vroeg daarna wél om uitleg, maar eerlijk: Mijn vraag was al geladen. “Leg dan eens uit, want in niks lijkt dit op elkaar.” Dat klinkt als een open deur, maar het was bedoeld om te weerleggen. Kees-Jan reageerde met een link naar het boek van Mattias Desmet. Op dat moment merkte ik dat we niet op dezelfde laag praatten. Ik zocht argumenten in eigen woorden; hij bood een ‘autoriteit’ als afkorting van het denkwerk. Ik prikte daar fel doorheen met de Einstein-quote – “als je het niet zelf kan uitleggen, begrijp je het zelf niet” – en dat voelde voor hem als: Jij deugt niet, jouw bron deugt niet, punt. Terwijl ik eigenlijk wilde zeggen: Vertel me wat jij bedoelt, in jouw taal.
Die misser herken ik. Als je irritatie laat doorklinken terwijl je om uitleg vraagt, hoort de ander vooral de irritatie. Dan verdampt de nieuwsgierigheid uit je vraag. Vanaf daar glijden we allebei naar bekende posities: Hij benoemt cancelcultuur en de “mainstream”, ik blijf duwen op onderbouwing en noem Desmet onbetrouwbaar. Twee rails naast elkaar, geen wissel ertussen.
“Laat ik die Desmet-passage kort uiteggen, zonder losse flodders. Mijn bezwaar is niet dat hij “niet in mijn kamp” zit, maar dat zijn theorie over massavorming leunt op suggestieve verbanden en niet op degelijke empirische onderbouwing. Correlaties worden gepresenteerd als oorzaak-gevolg, voorbeelden zijn selectief, en de kritiek van collega-wetenschappers richt zich precies daarop: Boeiend opstel, maar zwak in en als verklaring. Voor mij betekent dat: Weinig interessant om te lezen, en vooral onvoldoende als bewijs. Wie zijn werk aanhaalt, mag dat, maar neem dan ook de beperkingen mee. Dat is geen cancelen, dat is bronkritiek.
Terug naar het gesprek. Wat deden we feitelijk? Ik stelde vragen, maar vaak retorische. Hij gaf antwoorden, maar meestal via frames en verwijzingen, niet via eigen redenering. Ik reageerde op het ontbreken van inhoud, hij op de scherpte van mijn toon. We voelden ons allebei miskend: Hij als mens met intuïtie en wantrouwen tegenover systemen, ik als iemand die vraagt om helder denken en feitelijke onderbouwing. En dan verlies je precies wat je nodig hebt om verder te komen: De wil om te begrijpen waarom de ander het zo ziet.
Mijn les hierin is tweedelig. De eerste is blijf op de inhoud. Vraag door op definities en voorbeelden. “Wat bedoel je precies met ‘weinig hoop na corona’? Aan welke gebeurtenissen denk je? Welke parallellen zie jij, en welke juist niet?” Dat soort vragen opent. En ten tweede: Let op de toon. Niet omdat de ander te teer is, maar omdat toon de deur is waardoor inhoud naar binnen kan. Als ik echt wil dat iemand zijn redenering deelt, moet ik mijn irritatie thuislaten. Anders vraag ik om uitleg terwijl ik al tegenwind geef.
Voor wie het systeem wil bevragen – en ik reken mezelf daartoe – hoort daar iets bij wat vaak vergeten wordt: Zelfkritiek op je eigen systeem. Mijn systeem is dat van bewijs, definities, logica. Dat is waardevol, maar het kan ook verharden tot gelijk-hebben. Het systeem van de ander kan er een zijn van intuïtie, patroonherkenning en wantrouwen. Dat is soms raak en soms gevaarlijk, precies daarom moet het bevraagd worden. Maar bevragen is iets anders dan wegzetten. Anders krijg je nooit de stap van “gevoel” naar “argument”.
Feitelijkheid is geen koude muur; Het is een brug van feiten, context, goede bronnen en heldere causale lijnen: Daarmee bescherm je een gesprek tegen uitwaaieren in aannames. Net zo goed is empathie geen zachte knuffel; het is de toegangspoort waardoor feiten binnenkomen. Als ik erken dat iemand reden heeft om wantrouwig te zijn, vergroot ik de kans dat hij reden ziet om precies te zijn.
Wat ik de volgende keer anders proberen te doen? Ik vraag eerst wat iemand precies bedoelt, zonder bijzin die het al kleurt. Ik vraag om eigen woorden voordat ik iets zeg over bronnen. Als er een bron komt, geef ik aan wat ik betrouwbaar vind en wat niet, mét uitleg, niet met etiketten. En als ik voel dat mijn toon harder wordt dan mijn argumenten, sluit ik even mijn mond. Beter een korter gesprek met een heldere stap vooruit dan een lange reeks tegenwerpingen waarin niemand luistert.
De oorspronkelijke post ging over de verleiding om klakkeloos te volgen. Ik herken die verleiding ook in discussies: Klakkeloos je eigen reflex volgen. Mijn oproep – aan mezelf en aan wie meeleest – is simpel: Blijf feitelijk, blijf op inhoud, en blijf mens. Vraag naar definities, naar bronnen, naar voorbeelden. Leg in eigen woorden uit wat je bedoelt. En als je een vergelijking maakt met iets zo beladens als de Tweede Wereldoorlog, wees dan dubbel precies. Grote woorden verdienen grote zorg.
Als we dat doen, hoeft “weinig hoop na corona” geen eindpunt te zijn. Dan wordt het misschien het begin van een gesprek dat wél ergens landt.