Een laatste leugen….

Het is 2 september 1937, Willem Marten Hendrik Brinkman wordt geboren. In Apeldoorn, aan de Bloemheuvellaan, we zitten vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Na mijn vader zouden er nog twee worden geboren, Oom Joop en als jongste tante Mart(ha). Het gezin woonde al die tijd in Apeldoorn, al kwamen ze uit Deventer en onze roots liggen in Drenthe, niet ver van waar, op het moment van schrijven, ik woon – in Ruinen. Mijn opa heb ik nooit goed gekend, hij stierf toen ik al jong was. Wat ik wil herinner zijn de “Milkyway”-bars die hij altijd voor ons meenam. Dat zit er zo diep in, dat ik nog steeds waar ik kan zo’n bar koop en aan hem denk als ik hem opeet. Mijn opa was een strenggelovig man en liet dat ook merken. Ik heb begrepen dat dit, vooral voor mijn oudste broers, niet altijd even makkelijk was. Bijbellessen, vragen beantwoorden, het kwam er allemaal bij kijken. Mijn oma heeft veel langer geleefd, een lieve oma, zo herinner ik mij. Zachtaardig en warm, elke keer als wij daar waren. Niet altijd even makkelijk, meen ik mij te herinneren.

Als oudste had mijn vader verwachtingen van mijn opa. Verwachtingen die hij niet altijd na wilde komen, of kon komen. Verwachtingen die zijn jongere broer wel nakwam. Ik weet er het zijne niet van, dus ik begeef me op glad ijs. Maar ik meen mij te herinneren dat dat voor mijn vader lastig was. Hij verzette zich er ook tegen en koos zijn eigen weg op verschillende momenten als de weg die voor hem werd uitgestippeld niet zijn goedkeuring kon dragen. Uiteindelijk in de laatste jaren van mijn vader zijn leven was hij ondernemer. ZZP-er zouden we het vandaag de dag noemen. Het begon (voor mij, vlak voor mijn geboorte) als ambtenaar van de gemeente Heemstede. Daarna werd hij hoofd personeelszaken bij het Kadaster wat, toen ik 1 jaar oud was, verhuisde naar Apeldoorn.

Mijn eerste verhuizing was daarmee een feit. We kwamen terecht in de nieuwe ambtenarenwijk “De Maten”. Veel randstad-ers kwamen in die tijd met het Kadaster, de Belastingdienst en de Politie mee naar Apeldoorn. Een verhuisplicht was er, maar niet voor mijn vader zijn manager. Hij bleef prinsheerlijk in Zeeland wonen en huurde een privé-chauffeur zodat zijn reistijd werktijd werd. Toen, jaren later, een bezuinigingsronde door hem werd afgeroepen wilde mijn vader als eerste de chauffeur ontslaan. Het werd tijd dat zijn ‘baas’ zich voegde naar de afspraak die voor iedereen zou moeten gelden nakwam: Verhuizen naar het oosten! Het koste mijn vader zijn baan. Hij werd ontslagen!

Bij zijn sollicitatie bij het Lukasziekenhuis (Nu Gelre Ziekenhuizen – Locatie Apeldoorn) werden referenties opgevraagd bij het Kadaster. Zonder dat mijn vader ervan wist. Bij zijn laatste gesprek, het arbeidsvoorwaardengesprek, kwam dit toevallig ter sprake. De referenties waren louter positief, maar mijn vader stopte de procedure. Zo ga je niet met (potentiele) werknemers om. Hier hield zijn sollicitatie op. Ook al waren de referenties positief, ze uitvragen zonder dit met de sollicitant te bespreken, was voor hem breuk in zijn principes en hij bleef werkloos.

Een financieel zware tijd brak aan. Ja, hij had wachtgeld, maar niet zo ruim als tegenwoordig. Hij werd docent en reisde het hele land af voor zijn lessen. Ik zag hem vaker niet dan wel. De “man die zondags het vlees snijdt”, kon op hem gebaseerd zijn. Maar hij deed dit voor ons, zijn vrouw en zijn 5 zonen. Nooit zijn wij iets te kort gekomen, al is het gemis van je vader in mijn leeftijd toen, wellicht groter dan al het andere wat ik kon krijgen. Niet veel later zou hij voor zichzelf beginnen: “Adviesbureau POM” ontstond. Een adviesbureau voor Personeel, Organisatie en Management-vraagstukken. Gezien mijn huidige werk, valt de appel kennelijk niet ver van de boom.

Een rijke periode brak aan, veel vakanties, veel reizen, veel mogelijkheden. Echter een rijbewijs krijgen zat er niet in, dat moest ik toch ECHT zelf doen. Op mijn poging er één te krijgen, vroeg ik een vraag, die veel van mijn vrienden ook stelde in de hoop hun rijbewijs te krijgen: “Als ik tot mijn 18e niet rook, wat krijg ik dan?”. Ik stelde hem ook, maar zijn antwoord hangt nog in mijn hoofd: “Een schouderklopje, jongen, een schouderklopje!”. Want dan zou 18 een mooie tijd zijn om te beginnen, buit binnen en sigaret aan de lippen. Dat gaan we niet doen: Wil je roken? Jouw probleem, jouw gezondheid! Een grote teleurstelling maar wel een mooie les, die ik nog steeds meeneem.

Het is 14 februari 2013, 13 jaar geleden op het moment dat ik dit blog schrijf. Marten en je schoondochter Ingrid lagen nog te herstellen van een operatie waarbij jouw zoon een nier kreeg. Dit gebeurde eerder in deze week, net de week waarin jij ziek werd en besloot er tussenuit te knijpen. Je weigerde medicatie en vertelde ons dat. Na enig aandringen besloot je ze toch te nemen, zo werd ons verteld door de verpleging. Ik werd contactpersoon, Bert was te druk met zijn Ingrid en Marten, dus dat was prima. Op woensdagavond kwam ik bij je langs. Ik vertelde je dat het goed ging met Marten en met Ingrid. Ik was bij hen geweest en op de weg naar huis kwam ik je het goede nieuws vertellen. Je fleurde op, richtte jezelf zelfs op om het allemaal even aan te horen. Je glimlachte, praatte zacht. Ook vertelde ik je van mijn opdracht en dat ook daar alles goed ging. Het deed je allemaal zichtbaar goed. Je was rustig, je ademhaling was rustig en de medicijnen leken goed aan te slaan, zo dacht ik. Ik gaf dit terug aan mijn broers. We waren opgelucht.

Terug naar 14 februari, ik was aan het werk in Oost Brabant, Marten lag nog in Rotterdam. Ik werd gebeld door jouw verpleegster met het nieuws dat je aanzienlijk achteruit was gegaan en dat ze niet dachten dat je de volgende dag nog zou halen. Ik snapte er niks van, het ging gisteren toch zo goed, de medicatie was toch goed aangeslagen, leek het. Ik stelde de vragen, die op mijn lippen brandden. Het antwoord schokte mij… Je was niet aan de medicijnen gegaan, dat was een leugen die jij ook aan de verpleging had opgelegd. Een leugen voor ons bestwil om gerust te zijn. Een leugen die ons kon laten focussen op Marten en Ingrid. Maar nu, ging dat toch weer terug naar jou, je was stervende en ik moest dat mijn broers vertellen. Ik belde ze een voor een op, zij gingen naar je toe in een waakschema, zodat je niet alleen zou zijn. Ik zou naar Rotterdam rijden om het Marten persoonlijk te vertellen. Maar hoe kom je daar als er een ijzelbui precies over de weg tussen Den Bosch en Rotterdam trekt? Hoe vertel je je broer wat er staat te gebeuren, terwijl hij nog in het ziekenhuis ligt en niet weg mag of kan? Ik ben toch gaan rijden. Een beetje in de geest van een oud-manager van mij die tegen zijn moeder zei: “mam, ik heb geen last van de ijzel, ik vlieg namelijk laag”. Onderweg belde ik Marten zijn zorgafdeling. Ik wilde dat zij standby zouden staan, mocht Marten zijn bed uit willen stappen om naar jou toe te gaan.

Hoe anders als dat liep. Mijn rit ging prima, ik had geen last van gladheid. Of dit kwam doordat ik laag vlieg, of dat een andere kracht mij beschermde, geen idee, maar ik kwam veilig aan bij Marten. Toen ik hem het nieuws vertelde, knikt hij alleen maar. Hij wist het zondag al, zo zei hij mij. Toen jij zondag bij je kwam heeft hij afscheid van je genomen, hij voelde het toen al aan. Het was goed, hij was rustig, de achtervang op de gang was niet nodig. Al was ik enorm blij dat ze er waren. Wat is de verpleging toch gewoon top in Nederland, mag dat gezegd worden?

Ik ben nog even bij Marten gebleven en ben einde van de middag naar jou toe gereden. Wim was daar en wij zouden samen bij je blijven gedurende de nacht. Wim en ik wisselden elkaar af en rustte in de pantry wat uit. Ik geloof zo rond een uur of 10, was ik bij je aan het bed. Je was onrustig, je ademhaling was zwaar en je woelde onrustig in je bed. Je sliep, althans dat denk ik, wel. Ik zei zachtjes tegen je dat je mocht gaan, als het dat was wat je wilde. Het was goed. Iedereen wist ervan, iedereen had er vrede mee, zo vertelde ik je. En met iedereen ging het goed, ook dat fluisterde ik je toe. Ik pakte je handen vast en gaf je een zoen op je voorhoofd. Je werd rustiger en niet veel later kwam er nog één diepe adem en een grote zucht, je was er niet meer. Ik heb even nog naast je gezeten, je handen vasthoudend voor ik Wim ging halen. Op de gang kwam ik tante Claar tegen. Jouw tante, dik over de negentig, ze wilde weten hoe het met je ging. Ik vertelde haar dat ik net Wim ging halen, omdat je net rustig was ingeslapen. Samen vertelde we Wim het nieuws en liepen we met zijn drieën weer naar jou.

Wim ging in zijn regelmodus, hoe knap is dat toch altijd, dat hij zelfs op zulke momenten dit kan. Hij haalde de verpleging erbij, zodat ook formeel het overlijden kon worden vastgesteld. Tante Claar vertelde me dat we je kaak dicht moesten houden. Anders zouden ze die met het afleggen moeten breken. Dit deden we om en om, Tante Claar en ik. Zo hebben wij je langzaam koud voelen worden. Toen de afleggers kwamen bedankte ze ons voor wat we deden. Een tijdje was ik bang dat ik dit als nachtmerrie terug zou krijgen. Jouw koud voelen worden was immers verschrikkelijk om te voelen gebeuren. Echter kijk ik met trots terug op tante Claar en mij dat we dit voor jou konden doen. Ondertussen heb ik begrepen dat het tegenwoordig niet nodig is. Er zijn fijnere manieren dan de kaak breken, dat wisten wij toen niet. Het bedankje van de afleggers was dus ook alleen maar voor onze gemoedsrust. Het was goed zo!

Ik blijf je missen, ik blijf je zien, ik blijf je horen en ik blijf je voelen! Ik probeer jou trots te maken op wie ik ben en wie ik wil zijn. Ik probeer veel van je lessen, die ik vooral in de laatste twee jaar van je hebt gehad mee te nemen in mijn leven.

Valentijnsdag zal nooit meer hetzelfde zijn! Het heeft alleen maar meer glans gekregen!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.