Tussen mijn overtuiging en jouw mens-zijn

Waarom verschil ons niet verdeelt, maar verrijkt

Ik kwam een verhaal tegen over twee ongeboren kinderen die met elkaar in gesprek zijn. Ze liggen in dezelfde baarmoeder, groeien op dezelfde manier, krijgen dezelfde voeding en kennen dezelfde wereld. Alles aan hen is gelijk, behalve wat ze denken over wat er misschien na de geboorte komt. De één vraagt zich af of er leven is na de bevalling. De ander gelooft dat er meer is dan wat zij nu kunnen zien of begrijpen. Niet omdat hij het kan bewijzen, maar omdat hij voelt dat dit niet het eindpunt kan zijn, dat deze fase misschien een voorbereiding is op iets groters, iets wat hun huidige zintuigen nog niet kunnen bevatten.

De ander wijst dat idee af. Voor hem bestaat alleen wat zichtbaar en ervaarbaar is. Alles wat nodig is om te leven, is hier aanwezig. Wat daarbuiten zou zijn, is onvoorstelbaar en daarmee onwaarschijnlijk. Als er werkelijk leven zou zijn na de geboorte, zo redeneert hij, dan zou daar toch bewijs voor moeten zijn. Iemand die is teruggekomen. Een teken. Iets tastbaars. Dat ontbreekt. Dus bestaat het niet.

En toch blijven ze praten. Ze vallen elkaar niet aan. Ze maken elkaar niet belachelijk. Ze proberen elkaar niet te overtuigen. Ze verkennen elkaars visie, gewoon omdat ze samen in dezelfde ruimte bestaan. Ze zijn niet anders dan elkaar. Ze groeien even snel, zijn even afhankelijk, even kwetsbaar. Het enige verschil is wat ze geloven over wat er mogelijk volgt. Dat verschil maakt hen niet beter of slechter. Het maakt hen verschillend.

Geloof is geen wetenschap en geen zekerheid. Het is geen bewijs en geen sluitende redenering. Geloof is een geloof. Het kan houvast bieden en vertrouwen geven, richting aan hoe je in het leven staat, maar het maakt je niet meer mens dan de ander. Ook als je niet gelooft, leef je hetzelfde leven, adem je dezelfde lucht, heb je dezelfde vreugde en dezelfde pijn. In het hier en nu maakt het niets uit voor jouw waarde of de andere zijn /haar waarde. Wij zijn niet anders, zoals die twee ongeboren kinderen niet anders waren. We geloven alleen iets anders over wat dit leven betekent en waar het misschien vandaan komt.

Ik geloof! Niet omdat ik alles begrijp, maar omdat ik om me heen een samenhang zie die voor mij te groot is om toeval te noemen. En als ik zeg alles wat leeft, dan bedoel ik ook werkelijk alles wat leeft. Niet alleen mensen, maar ook dieren, planten, bomen, bacteriën, eencelligen, algen, alles wat groeit, zich deelt, zich aanpast en voortplant. Al het leven, in al zijn vormen, is opgebouwd uit dezelfde basis: een cel, met een kern, met daarin DNA. Een ongelooflijk complex systeem waarin vastligt hoe een organisme zich ontwikkelt, hoe het eruitziet, wat het kan worden. Elk levend wezen zijn eigen boekwerk, geschreven in dezelfde taal, maar met een unieke inhoud. Van het kleinste eencellige organisme tot de mens die zich vragen stelt over zijn bestaan.

Wat daar niet in staat, is wie jij bent vanbinnen. Wat je voelt. Waar je bang voor bent. Wat je liefhebt. Hoe jij omgaat met verlies, met hoop, met twijfel. Dat ligt niet vast. Dat is waar jij begint. Dat is waar ik begin. Dat is waar mens-zijn ontstaat.

Voor mij wijst die orde niet op willekeur, maar op bedoeling. Niet op een toevallige botsing, maar op een plan. Geen Big Bang alleen, maar een Schrijver. En hoe die Schrijver heet, vind ik minder belangrijk dan hoe ik probeer te leven binnen dat besef. Met respect. Met aandacht. Met de overtuiging dat ook jij, met jouw overtuigingen of jouw ongeloof, net zo waardevol bent.

En juist daar, denk ik, raakt geloof aan iets groters. Want als die laatste ruimte niet is dichtgetimmerd, als niet alles vastligt, dan zijn verschillen geen fout in het systeem, maar een essentieel onderdeel ervan. Dan zijn onze verschillen er niet om te bestrijden, maar om te omarmen. Om van en met elkaar te leren. Om elkaar aan te scherpen, te verrijken, te spiegelen. Verschillen maken het leven dieper, rijker, menselijker.

Dat geldt voor jou en mij, maar ook voor hoe we samenleven. Vreemdelingen maken een samenleving niet armer, maar rijker. Andere perspectieven, andere verhalen, andere manieren van kijken voegen iets toe wat er zonder hen niet zou zijn. Mits we elkaar blijven zien als mens. Mits we blijven praten zoals die twee ongeboren kinderen dat deden: nieuwsgierig, zonder oordeel, met respect voor het feit dat de ander een andere visie kan hebben zonder minder waard te zijn.

En misschien is het eerlijk om nog een stap verder te gaan. Want verschillen bestaan niet alleen tussen wie gelooft en wie niet gelooft, maar ook tussen mensen die allemaal zeggen te geloven. In God. In een Schepper. In iets hogers. En zelfs daar, binnen datzelfde woord, lopen de beelden, namen, verhalen en overtuigingen ver uiteen. Wat voor de één heilig is, is voor de ander vreemd. Wat voor de één richting geeft, voelt voor de ander beklemmend. We lezen andere boeken, leggen andere accenten, trekken andere conclusies, soms zelfs uit dezelfde bron.

Ook daar zijn wij niet anders dan die ongeboren kinderen. We delen dezelfde ruimte, dezelfde wereld, dezelfde kwetsbaarheid, maar we kijken vanuit een ander perspectief. En te vaak doen we alsof verschil in geloof automatisch betekent dat de ander ongelijk heeft, minder ziet of gevaarlijk is. Alsof onze manier van geloven het eindstation is, in plaats van een weg die wij zelf lopen.

Voor mij begint het af te glijden op het moment dat geloof niet meer uitnodigt tot bescheidenheid, maar tot zekerheid. Wanneer mijn geloof geen houvast meer is, maar een grens. Wanneer het niet meer opent, maar afsluit. Want als er werkelijk een Schrijver is, dan is geen enkel verhaal volledig door mij te overzien. Dan is mijn perspectief altijd beperkt, mijn begrip altijd voorlopig, mijn gelijk nooit absoluut.

Juist daarom kan ik leren van jou, ook als jij anders gelooft dan ik. Misschien zie jij iets wat ik over het hoofd zie. Misschien benoem jij iets waar ik geen woorden voor had. Misschien houdt jouw geloof mij een spiegel voor, zonder dat jij die ooit hebt willen ophouden. Dat maakt verschil geen bedreiging, maar een mogelijkheid.

Ik zal daarin niet altijd slagen. Ik ga de mist in. Ik word soms boos, ongeduldig of kortzichtig. Ik ben geen ideaal, geen theorie, geen overtuiging. Ik ben iemand van vlees en bloed, met mijn eigen strijd en mijn eigen vragen. Maar ik blijf proberen. Omdat ik geloof dat liefde en respect geen bijzaak zijn, maar de kern.

Misschien is dat wel het mooiste. Dat er in al die vastgelegde orde, in al dat DNA en al die structuur, ruimte is gelaten voor iets wat niet vastligt. Voor verschil. Voor ontmoeting. Voor geloof en ongeloof naast elkaar. Voor een wereld die juist mooier wordt doordat jij anders bent dan ik.

Dat besef vraagt iets van ons. Van mij. Van jou. Het vraagt dat we elkaar niet reduceren tot overtuigingen, maar elkaar blijven zien als mens. Dat we niet eerst willen winnen, maar begrijpen. Dat we niet bang worden van verschil, maar nieuwsgierig. Dat we ruimte laten voor vreemdelingen, voor andere verhalen, voor andere manieren van geloven en leven, juist omdat zij onze wereld niet armer maken, maar rijker.

Liefde en respect zijn dan geen naïeve idealen, maar bewuste keuzes. Geen vanzelfsprekendheden, maar dagelijkse oefening. Ik faal daarin. Jij waarschijnlijk ook. Maar dan is dát precies de plek waar we elkaar kunnen ontmoeten. Niet in gelijk, maar in menselijkheid.

En, ik denk, dat dát wel is waar geloof, ongeloof en alles daartussenin uiteindelijk samen kunnen en moeten komen. Niet in wat we zeker weten, maar in hoe we omgaan met wat we niet zeker weten. Met elkaar. Met verschil. Met de ruimte die ons gegeven is.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.