Oneerlijk? Of eindelijk consequent?

Over de Wet Werkelijk Rendement en het frame van JA21

JA21 noemt de Wet Werkelijk Rendement oneerlijk. In hun uitleg wordt een belegger opgevoerd die zijn investering van 100 euro ziet stijgen naar 225 euro, daarover belasting betaalt, en vervolgens in het nieuwe jaar geconfronteerd wordt met een koersdaling waardoor de winst weer verdampt. De conclusie: je betaalt belasting over papieren winst die je nooit “echt” hebt gehad. Het klinkt intuïtief rechtvaardig. Maar het is een frame dat één cruciale vraag ontwijkt: wanneer ben je daadwerkelijk rijker geworden?

Op het moment dat een belegging in waarde stijgt, is er sprake van reële vermogensgroei. Je balans is sterker, je nettovermogen hoger en je economische positie verbeterd. Dat is geen fictie. Dat je nog niet hebt verkocht, verandert daar niets aan. De waarde is gestegen en die waarde kan worden benut: als onderpand, als kredietruimte, als financiële hefboom. Wie stelt dat dit geen echte winst is, hanteert een zeer beperkte definitie van “verdienen”, namelijk alleen wat liquide op de bank staat.

Daarmee ontstaat een fundamenteel verschil in behandeling tussen arbeid en vermogen. Een werknemer betaalt belasting op het moment dat hij loon ontvangt. Als hij het jaar daarop zijn baan verliest of minder verdient, krijgt hij de belasting van het eerdere jaar niet terug. Niemand noemt dat oneerlijk; het is een logisch gevolg van jaarlijkse belastingheffing. Elk jaar staat fiscaal op zichzelf. Het risico van het volgende jaar is niet relevant voor het voorgaande. Waarom zou dat bij vermogen ineens anders moeten zijn?

De tegenwerping luidt meestal dat beleggers belasting moeten betalen zonder dat zij daadwerkelijk geld hebben ontvangen. Maar ook dat argument is minder zuiver dan het lijkt. Vermogensgroei vergroot immers de economische handelingsruimte. Stijgende aandelen of vastgoedwaarden kunnen worden gebruikt om te lenen, te herfinancieren of uitgaven te doen zonder te verkopen. Wie zegt dat papieren winst niet “echt” is, vergeet dat diezelfde papieren winst in de praktijk wel degelijk als reële zekerheid fungeert. Het voordeel van waardestijging wordt benut zodra het uitkomt, maar de belasting daarop zou pas mogen volgen bij verkoop. Dat is geen neutrale positie; dat is een voorkeur voor uitstel.

Daar zit het echte spanningsveld. De keuze is niet tussen eerlijk en oneerlijk, maar tussen twee belastingprincipes. Ofwel je belast winst wanneer deze wordt gerealiseerd, wat ruimte laat voor uitstel en optimalisatie, ofwel je belast aanwas wanneer iemand rijker wordt, ongeacht of hij verkoopt. Het eerste principe bevoordeelt wie lang kan wachten en vermogen kan vasthouden. Het tweede principe behandelt vermogen meer zoals arbeid: jaarlijks, consequent en zonder uitstelvoordeel.

Dat betekent niet dat er geen technische aandachtspunten zijn. Verliesverrekening moet zorgvuldig en volledig worden ingericht, zodat over meerdere jaren de totale belastingdruk in verhouding blijft tot de werkelijke vermogensontwikkeling. Maar dat is een uitvoeringsvraag, geen principiële afwijzing van het systeem.

De kwalificatie “oneerlijk” verhult dus meer dan zij verklaart. Wat werkelijk ter discussie staat, is of vermogen dezelfde fiscale logica mag volgen als arbeid. Wie vindt dat belasting pas verschuldigd is bij verkoop, kiest impliciet voor een systeem waarin uitstel mogelijk blijft. Wie vindt dat rijker worden op zichzelf een belastbaar feit is, kiest voor een consequenter en gelijker behandeling.

In dat licht is de Wet Werkelijk Rendement geen onrechtvaardige afwijking, maar eerder een poging tot consistentie. De vraag is niet of het comfortabel voelt. De vraag is of we het principe aanvaarden dat economische groei van vermogen, net als loon, een bijdrage aan de gemeenschap rechtvaardigt op het moment dat die groei plaatsvindt. Wie dat uitgangspunt accepteert, kan moeilijk volhouden dat het systeem per definitie oneerlijk is.

3 gedachtes over “Oneerlijk? Of eindelijk consequent?

  1. je eerdere reactie gaf je aan dat een inhoudelijke reactie op je Box 3-artikel ontbrak. Bij dezen wil ik die alsnog geven, want de vergelijking die in het artikel wordt gemaakt gaat op fundamentele punten mank.

    Ten eerste klopt de vergelijking tussen loon en vermogensgroei niet. Loon is inkomen waarover je direct kunt beschikken. Een waardestijging van een belegging is op dat moment slechts een papieren werkelijkheid. Zolang je niet verkoopt, kun je er niets mee. Belasting heffen over niet-gerealiseerde winst lijkt daarom meer op belasting heffen over een bonus die misschien ooit wordt uitgekeerd — maar misschien ook nooit, als de markt tegenzit.

    Het argument dat een papieren waardestijging “economisch echt” zou zijn omdat je die kunt gebruiken als onderpand voor een lening overtuigt mij ook niet. Dat betekent namelijk dat je schulden moet aangaan om belasting te betalen over geld dat je nog helemaal niet hebt. Dat is de wereld op z’n kop. Bovendien zijn dit precies de soort financiële hefboomconstructies die grote risico’s met zich meebrengen. De geschiedenis – denk aan de Legio Lease-affaire – laat zien hoe verkeerd dat kan aflopen. Een belastingsysteem dat impliciet veronderstelt dat burgers hun papieren winst maar moeten verzilveren via leningen of leverage om de belasting te kunnen betalen, rust in feite op het aanmoedigen van financieel risico. Dat lijkt mij geen solide basis voor belastingbeleid.

    Daar komt nog iets bij: de risicoverdeling is volledig scheef. Als de waarde later weer daalt en de eerdere winst verdampt, is de belasting vaak al betaald. De overheid loopt daarbij geen enkel risico; de burger draagt dat volledig alleen.

    Uiteindelijk gaat deze discussie dus niet over “framing”, maar over een principiële vraag: wat is een redelijke rol van de overheid? Als JA21-stemmer zie ik die rol het liefst zo klein mogelijk. De overheid is vrijwel altijd inefficiënt, terwijl de rekening uiteindelijk gewoon via belastingen bij de burger wordt neergelegd. Daardoor is vaak nauwelijks nog te achterhalen waarvoor je precies betaalt en welke concrete waarde je daar eigenlijk voor terugkrijgt.

  2. Wederom mijn dank voor je uitgebreide reactie. Je argumentatie laat eigenlijk precies zien wat ik in het artikel probeerde te benoemen.

    Je beschrijft namelijk een helder en verdedigbaar standpunt: belasting heffen op het moment dat winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd in plaats van op het moment dat vermogen in waarde stijgt. Dat is een bekende fiscale benadering en daar valt inhoudelijk prima voor te pleiten. Op dat punt verschillen mensen van mening, en dat hoort ook bij politiek.

    Waar mijn blog zich op richtte is een andere stap in het debat. JA21 presenteert die keuze namelijk niet als een verschil in fiscale visie, maar als iets dat “oneerlijk” zou zijn. Daarmee krijgt een beleidsvoorkeur een morele kwalificatie.

    Dat is precies waar het botst voor mij. Want zodra je de onderliggende principes naast elkaar zet, blijkt dat het niet gaat om eerlijk versus oneerlijk, maar om twee verschillende manieren om vermogen te belasten: belasting bij realisatie of belasting bij aanwas. Beide systemen bestaan internationaal en beide hebben hun eigen logica. En beiden zijn verdedigbaar!

    De vraag wordt daarmee dus niet: is dit eerlijk of oneerlijk?
    De vraag wordt: welk principe vinden we wenselijker?

    En dat is een politieke keuze.

    Mijn punt in het artikel was daarom niet om een inhoudelijk debat over Box 3 te winnen, maar om zichtbaar te maken hoe snel een beleidskeuze in het politieke debat wordt geframed als een moreel onrecht. Terwijl het in werkelijkheid vaak simpelweg gaat om een andere visie op hoe een belastingstelsel ingericht zou moeten zijn.

    Juist dat onderscheid – tussen morele veroordeling en politieke keuze – vind ik belangrijk om scherp te houden.

    1. Alle partijen van links tot rechts spinnen en framen; de VVD is daar meester in, maar ook GL, PvdA en D66 zijn hier bedreven in, zoals te beluisteren in de podcast De Spindoctors met Julia Wouters (oud PvdA) en Raymond Mens (oud VVD).

      Qua framing en spinning staat JA21 echter nog op kleuterschoolniveau.

      Wat mij betreft is het punt van JA21 in dit geval feitelijk, geen framing. Zoals ik eerder uitlegde in mijn vergelijking met een bonus:

      “Loon is inkomen waarover je direct kunt beschikken. Een waardestijging van een belegging is op dat moment slechts een papieren werkelijkheid. Zolang je niet verkoopt, kun je er niets mee. Belasting heffen over niet-gerealiseerde winst lijkt daarom meer op belasting heffen over een bonus die misschien ooit wordt uitgekeerd — maar misschien ook nooit, als de markt tegenzit.”

      Ieder weldenkend mens kan begrijpen dat dit oneerlijk is, tenzij er sprake is van jaloezie op mensen die financieel verantwoordelijk zijn geweest en nu iets meer vermogen hebben.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.