Een kind kiest zijn ouders niet. Het kiest niet in welke straat het opgroeit. Het kiest niet hoeveel geld er thuis beschikbaar is. Het kiest niet of er boeken in de kast staan, of huiswerk vanzelfsprekend aandacht krijgt aan de keukentafel, of volwassenen in de directe omgeving ervaring hebben met studeren. Het kiest ook niet welke verwachtingen de wereld al vroeg van hem heeft.
Toch begint daar een deel van zijn toekomst.
Dat besefte ik opnieuw tijdens een debat over onderwijs in de Tweede Kamer. Diederik Boomsma van JA21 sprak over kansen, karaktervorming en de rol van onderwijs. Op een bepaald moment zei hij dat hij het eigenlijk niet zo erg vindt dat sommige kinderen meer kansen hebben dan andere kinderen, zolang kinderen hun kansen zo goed mogelijk benutten. Die uitspraak bleef bij mij hangen. Dat kwam niet omdat verschillen tussen mensen een verrassing zijn, zij horen bij het leven. Mensen groeien op onder uiteenlopende omstandigheden en ontwikkelen zich ieder op hun eigen manier. De vraag die mij bezighield lag ergens anders.
Hoeveel invloed vinden wij acceptabel van omstandigheden waar een kind zelf nooit voor heeft gekozen?
En dit is voor mij de kern van het gesprek over onderwijs.
Wanneer over kansenongelijkheid wordt gesproken, verschuift de aandacht vaak snel naar talent, motivatie of inzet. Die factoren spelen zonder twijfel een rol. Tegelijkertijd begint het verhaal van een kind veel eerder. Het begint op de plek waar het geboren wordt. Het begint in de omgeving waarin het leert praten, spelen, lezen en dromen over later. De invloed daarvan wordt echter vaak onderschat.
Een kind dat opgroeit in een omgeving waar onderwijs hoog wordt gewaardeerd, krijgt dagelijks signalen mee over wat mogelijk is. Een kind dat opgroeit in een gezin dat voortdurend bezig is de eindjes aan elkaar te knopen, leert andere lessen. Geen van beide situaties zegt iets over de waarde van een kind. Geen van beide situaties zegt iets over zijn potentieel. Toch beïnvloeden die omstandigheden wel degelijk de kansen die onderweg beschikbaar komen. Dat gebeurt vaak zonder dat iemand het bewust organiseert.
Wie door Nederland reist, ziet hoe sterk woonwijken van elkaar kunnen verschillen. Die verschillen vinden hun weg naar scholen. Basisscholen weerspiegelen vaak de buurt waarin zij staan. Kinderen ontmoeten daardoor lang niet altijd leeftijdsgenoten uit totaal andere leefwerelden. Vervolgens komt het moment waarop schooladviezen worden gegeven.
Tegen die tijd hebben taalontwikkeling, ondersteuning thuis, financiële mogelijkheden en verwachtingen vanuit de omgeving al jarenlang invloed gehad. Dat betekent niet dat een schooladvies onrechtvaardig is. Het betekent wel dat een schooladvies nooit volledig losstaat van de omstandigheden waarin een kind is opgegroeid. Daarom voelt het voor mij te eenvoudig om te zeggen dat kinderen vooral hun kansen moeten grijpen.
Voordat iemand een kans kan grijpen, moet die kans eerst zichtbaar zijn. Voordat een kind vertrouwen ontwikkelt, moet ergens iemand zijn geweest die vertrouwen heeft gegeven. Voordat een leerling zich kan voorstellen dat een bepaalde toekomst bereikbaar is, moet die toekomst ergens in beeld zijn gekomen. Onderwijs speelt daarin een bijzondere rol.
Vaak wordt onderwijs beschreven als een plek waar kennis wordt overgedragen. Dat is natuurlijk waar. Tegelijkertijd vervult onderwijs een veel grotere functie. Het vormt een van de belangrijkste instrumenten die een samenleving bezit om de gevolgen van een ongelijke start te verzachten.
Dit is niet om iedereen dezelfde uitkomst te geven of om verschillen tussen mensen weg te poetsen. Dit is vooral om te voorkomen dat afkomst een te grote voorspeller wordt van iemands toekomst. Dat ideaal heeft Nederland veel gebracht.
Generaties kinderen kregen kansen die hun ouders nooit hebben gehad. Jongeren uit gezinnen zonder academische achtergrond werden arts, onderzoeker, docent of ondernemer. Niet doordat verschillen verdwenen, wel doordat deuren werden geopend die eerder gesloten bleven. En juist daarom verbaast het mij wanneer ongelijkheid wordt behandeld als iets waar we ons vooral bij neer zouden moeten leggen.
Natuurlijk zal een samenleving nooit volledig gelijk worden. Dat hoeft ook niet. Mensen verschillen in interesses, dromen, persoonlijkheden en talenten. Die verschillen maken een samenleving rijk. Ongelijkheid krijgt een andere betekenis wanneer zij voortkomt uit omstandigheden waar niemand invloed op heeft gehad. Dan gaat het niet langer over keuzes maar dan gaat het over toeval. En toeval verdient geen beslissende stem in de toekomst van een kind.
Onderwijs kan dat probleem niet volledig oplossen. Armoede verdwijnt niet door een lesprogramma. Sociale verschillen verdwijnen niet door een schoolgebouw. Leraren kunnen niet dragen wat een hele samenleving laat liggen. Toch kunnen scholen iets doen wat van onschatbare waarde is. Zij kunnen kinderen laten ervaren dat hun toekomst groter is dan hun vertrekpunt.
Voor mij ligt daar de ware betekenis van kansengelijkheid. Het ligt niet in de gedachte dat iedereen hetzelfde moet bereiken of in de overtuiging dat alle verschillen verdwijnen. Maar het ligt in de bereidheid om ieder kind serieus te nemen als mens met mogelijkheden die nog niet zichtbaar zijn. Dat vraagt investeringen. Dat vraagt aandacht. Dat vraagt de moed om verder te kijken dan cijfers en statistieken. Maar bovenal vraagt het een samenleving die weigert te geloven dat de plek waar een wieg stond ook de plek moet zijn waar een toekomst wordt bepaald.
Want uiteindelijk zegt de manier waarop wij naar kinderen kijken veel over de manier waarop wij naar elkaar kijken. En een rechtvaardige samenleving begint bij de eenvoudige gedachte:
Dat geen enkel kind verantwoordelijk is voor de plek waar het begon.