Vrijheid verdwijnt zelden op een dag waarop iedereen direct ziet wat er gebeurt. Vrijheid verdwijnt in kleine stappen, verpakt in redelijkheid, efficiëntie of gezond verstand. Iedere stap lijkt op zichzelf overzichtelijk. Iedere stap lijkt uit te leggen. Juist daardoor herkennen we vaak pas achteraf dat de grens al veel eerder werd overschreden.
Die gedachte kwam bij mij op toen ik de motie las waarin de politie wordt opgeroepen geen iftars meer te organiseren of eraan deel te nemen. Mijn eerste reactie was geen verbazing over de politieke inhoud. Mijn eerste reactie was de formulering. Waarom staat hier uitsluitend de iftar? Waarom wordt uitsluitend een islamitische bijeenkomst genoemd? Waarom geldt dit niet voor iedere religieuze activiteit waarbij de politie betrokken is?
Dat is geen detail. Dat is precies de kern.
Wanneer de overtuiging werkelijk is dat de politie iedere beschikbare minuut nodig heeft voor haar kerntaken, dan hoort een motie dat principe ook zo te formuleren. Dan geldt die regel voor iedere religieuze bijeenkomst. Voor een iftar. Voor een kerstviering. Voor een Pesachviering. Voor iedere andere gelegenheid waarbij de politie verbinding zoekt met een geloofsgemeenschap. Dan kies je voor een algemeen uitgangspunt dat voor iedereen gelijk is.
Deze motie doet iets anders.
Deze motie kiest één religie uit. Precies één. Daarmee ontstaat geen neutraal beleid. Daarmee ontstaat onderscheid op basis van geloof. Voor mij heeft dat een duidelijke naam: discriminatie.
Dat woord gebruik ik bewust. Discriminatie begint namelijk niet pas op het moment dat mensen hun baan verliezen of hun vrijheid wordt afgenomen. Discriminatie begint op het moment dat een overheid of een volksvertegenwoordiging accepteert dat voor één groep andere regels mogen gelden dan voor alle anderen. Op dat moment verandert het uitgangspunt van gelijke behandeling. Vanaf dat moment ontstaat de gedachte dat uitzonderingen voor één specifieke groep eigenlijk heel normaal zijn.
Juist dat mechanisme verdient onze aandacht.
De geschiedenis laat zien dat democratieën zelden afbrokkelen door één spectaculaire gebeurtenis. Vrijwel altijd begint het met kleine verschuivingen die voor veel mensen logisch lijken. Een uitzondering hier. Een beperking daar. Een maatregel die volgens de meerderheid eigenlijk best te verdedigen is. Iedere stap afzonderlijk lijkt overzichtelijk. Het totaal verandert uiteindelijk de samenleving.
Wie terugkijkt naar de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog ziet precies dat patroon. De Joodse gemeenschap verloor haar positie niet van de ene op de andere dag. Eerst kwamen de uitzonderingen. Daarna de beperkingen. Vervolgens werd het steeds normaler dat voor Joden andere regels golden dan voor hun buren. Iedere afzonderlijke maatregel werd uitgelegd alsof zij redelijk was. Het eindpunt kennen we allemaal.
Die geschiedenis betekent niet dat iedere discriminerende maatregel automatisch tot dezelfde verschrikkingen leidt. Geschiedenis herhaalt zich zelden letterlijk. Geschiedenis leert ons wel hoe uitsluiting begint. Zij begint op het moment dat een samenleving accepteert dat één groep anders behandeld mag worden dan alle andere. Dat is de les die de geschiedenis telkens opnieuw probeert te vertellen.
Juist daarom vind ik deze motie zo zorgelijk.
Het debat gaat voor mij namelijk allang niet meer over een iftar. Het gaat over de bereidheid van politici om één religieuze gemeenschap expliciet uit te zonderen, terwijl een algemene formulering eenvoudig mogelijk was geweest. Dat is een keuze. Een bewuste keuze. Die keuze zegt iets over de manier waarop naar een minderheid wordt gekeken.
De politie zoekt dagelijks verbinding met de samenleving. Dat gebeurt op scholen, in buurthuizen, bij sportverenigingen, tijdens buurtactiviteiten en ook binnen religieuze gemeenschappen. Die ontmoetingen zijn geen privéfeestjes van agenten. Zij maken onderdeel uit van het opbouwen van vertrouwen tussen overheid en burger. Wie vindt dat de politie zich volledig moet beperken tot haar kerntaken, heeft alle recht om dat standpunt te verdedigen. Dan verwacht ik wel dat hetzelfde principe voor iedereen geldt.
Gelijke behandeling vormt immers de basis van iedere democratische rechtsstaat.
Juist daarom raakt deze motie mij. Zij kiest niet voor een algemeen principe. Zij kiest voor één geloof. Daarmee wordt de islam apart gezet. Dat vind ik discriminatie. Niet omdat ik het woord graag gebruik. Juist omdat ik vind dat wij zorgvuldig moeten zijn met woorden die onze rechtsstaat raken. Zodra de overheid één religie anders behandelt dan andere religies, wordt een fundamenteel beginsel losgelaten.
Wat mij misschien nog wel het meest bezighoudt, is hoe snel dit soort keuzes normaal begint te voelen. Een motie wordt ingediend. Een meerderheid stemt voor. Het nieuws gaat weer verder. De volgende discussie dient zich aan. Ondertussen verschuift ongemerkt de grens van wat acceptabel wordt gevonden. Iedere kleine verschuiving maakt de volgende verschuiving eenvoudiger.
Democratie vraagt iets anders van ons.
Democratie vraagt dat wij juist alert zijn wanneer een minderheid apart wordt gezet. Niet omdat iedere politieke beslissing hetzelfde gewicht heeft. Wel omdat gelijke behandeling geen gunst is die de meerderheid verleent. Gelijke behandeling is het fundament waarop onze vrijheid rust. Zodra dat fundament scheuren vertoont, raakt dat uiteindelijk iedere burger, ongeacht afkomst, geloof of politieke overtuiging.
Daarom spreek ik mij uit tegen deze motie. Niet vanwege een iftar op zichzelf. Wel vanwege het principe dat hier wordt geïntroduceerd. Zodra wij accepteren dat één religie expliciet anders behandeld mag worden dan alle andere, zetten wij een stap in een richting waarvan de geschiedenis ons heeft geleerd dat wij haar juist zouden moeten vermijden.
Geschiedenis is geen voorspelling van de toekomst. Geschiedenis is een uitnodiging om patronen te herkennen voordat zij zich opnieuw kunnen ontwikkelen. Die uitnodiging neem ik serieus. Juist daarom noem ik discriminatie wat voor mij discriminatie is, ook wanneer zij wordt verpakt in een democratisch aangenomen motie.
