Rotterdam, april 1940. De dreiging hing al in de lucht, maar niemand kon vermoeden hoe snel de oorlog de stad in zijn greep zou krijgen. Mijn opa – door ons “Pipa” genoemd – was in die tijd heilsoldaat, een verpleegkundig soldaat, en lag met zijn eenheid gestationeerd in de provincie Utrecht. Terwijl hij zich bekommerde om gewonde militairen, bleef mijn oma, “Mima”, thuis in Rotterdam achter met drie kinderen. Eén van hen was mijn moeder, nauwelijks een maand oud, geboren op 12 april 1940.
Toen op 14 mei de bommenregen neerkwam op Rotterdam, was Pipa ver weg. Voor hem moeten die dagen eindeloos zijn geweest: de onzekerheid, het niet weten of je gezin de aanval had overleefd. Pas dagen later kon hij terugkeren en zijn vrouw en kinderen in de armen sluiten. De opluchting moet onbeschrijfelijk zijn geweest. Het zijn momenten die een leven lang nagalmen.
Een paar weken eerder, alsof hij al iets aanvoelde, had Pipa een boek aan Mima gegeven: Het geslacht Bjørndal van de Noorse schrijver Trygve Gulbranssen. Deze trilogie — “En eeuwig zingen de bossen”, “Winden waaien om de rotsen” en “De weg tot elkander| — is doordrenkt van verhalen over liefde, strijd en verzoening, gesitueerd in het majestueuze Noorse landschap.
Ik stel me voor hoe Mima in die moeilijke dagen, met drie kleine kinderen in een stad die in brand stond, haar toevlucht zocht in die boeken. Hoe zij zich liet meevoeren naar bossen die eeuwig zingen, naar fjorden die onaantastbaar leken, naar een wereld waarin de natuur groter en sterker was dan het geweld van mensen. Voor haar moet het een ontsnapping zijn geweest: even ver weg uit de rook en angst, gedragen door woorden die schoonheid en hoop ademen.
Want dat is de kracht van verhalen. Ze tillen je op, zelfs als de werkelijkheid ondraaglijk is. Ze openen ramen naar andere werelden en laten zien dat er altijd meer is dan angst en vernietiging. Gulbranssens boeken waren voor Mima geen luxe, maar levensadem: een plek waar menselijkheid en verbondenheid opnieuw konden wortelen, midden in een tijd waarin alles leek te breken.
Dat ene boek werd een zaadje. Het groeide uit tot een familieliefde voor Noorwegen. Voor mij persoonlijk zelfs tot een richtingwijzer: het land dat ik later zelf ontdekte, waar ik stilte, natuur en menselijkheid ervoer. Het verklaart waarom ik geraakt word door plekken als Roseslottet, het kunstmonument in Oslo dat de herinnering aan oorlog en dictatuur levend houdt. En waarom 22 juli mij zo raakt: omdat het ons eraan herinnert dat vrijheid nooit vanzelfsprekend is, en dat haat en geweld iedereen raken.
Wanneer ik terugdenk aan Pipa en Mima, zie ik niet alleen grootouders in een moeilijke tijd. Ik zie mensen die houvast vonden in verhalen en in elkaar. Die in het donker van oorlog een sprankje licht wisten vast te houden. En ik besef: dat is precies wat ik zoek en uitdraag in Walking for Humanity. Ook ik neem verhalen mee, ook ik laat me dragen door ontmoetingen en herinneringen. Ook ik probeer in donkere tijden een weg te lopen die hoop en verbinding brengt.
Menselijkheid begint met een verhaal. Soms is dat een boek dat je leest bij kaarslicht in een gebombardeerde stad. Soms is het een wandeling van vijfhonderd kilometer. Maar altijd gaat het om hetzelfde: de moed om te blijven hopen, te blijven lopen, en elkaar als mens te blijven zien.