Thuiskomen

Deel 1 “De Vlucht” eindigde op het moment dat Mtufatu in Nederland aankwam, na een reis die bestond uit keuzes zonder echte keuze en een voortdurende zoektocht naar veiligheid. In dit deel, deel 2, begint een ander hoofdstuk. Geen vlucht meer, wel een periode van wachten, onzekerheid en telkens opnieuw moeten beginnen. Het is het verhaal van wat er gebeurt nadat iemand aankomt, en wat er nodig is om werkelijk te kunnen landen.
“Daar, in Ter Apel, begon een nieuwe periode. Een periode van opvang, wachten en telkens opnieuw verplaatst worden. Hij mocht een tijd op een locatie blijven, waarna hij weer naar een ander asielzoekerscentrum moest. De reden daarvoor bleef voor mij onduidelijk. Het effect was dat niet. Elke keer dat er iets begon te ontstaan, werd het weer onderbroken. Een gesprek, een ritme, een eerste vorm van vertrouwen, een mogelijke vriendschap; telkens verdween de bodem eronder.
Hij kon niet werken. Hij kon nauwelijks bouwen. Hij kon nergens echt wortelen. Na een paar maanden was hij weer weg. Via die reeks van verplaatsingen kwam hij uiteindelijk in een asielzoekerscentrum in mijn woonplaats terecht. Daar kruisten onze paden. Ik kwam daar regelmatig, niet met een groot plan op papier, wel met de behoefte om mensen te ontmoeten en iets van menselijkheid te brengen in een omgeving waar wachten vaak het grootste deel van de dag vult.
Wat begon als een gesprek groeide uit tot een vriendschap die zich langzaam verdiepte. Hij werd het kleine broertje dat ik nooit had. Ik werd voor hem de grote broer die hij miste. Hij kwam bij mij thuis, leerde mijn gezin kennen en werd onderdeel van iets wat leek op een gewoon leven.
Ook dat kreeg geen tijd om rustig te groeien, want opnieuw werd hij verplaatst.
Toen hij later een verblijfsstatus kreeg, kwam daar ook een woning bij. Een woning waar hij voor betaalde, zoals ieder ander. Alleen stond die woning in een stad waar hij niemand kende. Ver weg van de mensen die hij had leren vertrouwen. Ver weg van de plek waar hij voorzichtig was gaan landen. Voor veel mensen klinkt zo’n woning als het einde van een moeilijke periode. Voor hem betekende het opnieuw beginnen, dit keer zonder de beschutting van een plek waar altijd mensen waren. In één keer stond hij er alleen voor in een stad waar niemand op hem wachtte.
In mij groeide boosheid. Ik wilde voor hem vechten, wilde dat hij in mijn woonplaats kon blijven, dicht bij de mensen die hij kende en die hem konden helpen om verder te bouwen.
Hij werd boos op mij.
Niet vanuit afwijzing van mijn intentie, wel vanuit een andere blik op zijn werkelijkheid. Zijn dankbaarheid woog zwaarder dan zijn teleurstelling. Hij had veiligheid gevonden, een verblijfsvergunning gekregen en een plek waar hij een toekomst kon opbouwen. Hij wilde niet vechten tegen het systeem dat hem die basis had gegeven. Hij wilde vooruit.
Die reactie liet mij iets zien wat ik eerder niet volledig had begrepen.
Zijn vrouw zat op dat moment nog altijd in het buurland. Af en toe was er contact. Dan kwam er weer een teken van leven, een bericht dat zij veilig was, dat het nog goed ging, dat zij nog volhield. Tussen die momenten lagen lange periodes van stilte. Zes, zeven jaar waren zij van elkaar gescheiden geweest. Jaren waarin hij hier probeerde te overleven en zij daar probeerde veilig te blijven. Jaren waarin liefde vooral bestond uit wachten, hopen en vertrouwen op een volgend bericht.
Toen eindelijk duidelijk werd dat zij naar Nederland mocht komen, kreeg de tijd ineens een andere spanning. Het was geen abstract vooruitzicht meer. Zij zou komen. Zij zou echt door die deuren lopen. Hij zou haar weer vasthouden.
Het gebeurde rond mijn verjaardag. Ik was op zondag jarig en haalde hem op zaterdag op uit zijn woonplaats. Hij bleef dat weekend bij mij en vierde mijn verjaardag met mijn gezin. In dat weekend zaten vreugde en spanning dicht tegen elkaar aan. Er was de warmte van samen zijn, de gewone drukte van een verjaardag, de nabijheid van mensen die hem lief waren geworden. Tegelijk hing er steeds dat ene vooruitzicht boven alles: maandag zouden wij naar Schiphol rijden.
Die rit was niet zomaar een rit. Vanuit mijn woonplaats naar het vliegveld was het al een flinke afstand, en daarna moesten wij vanaf Schiphol weer helemaal door naar zijn eigen woning. Uren onderweg. Uren waarin de ruimte tussen zijn verleden en zijn toekomst bijna tastbaar werd. Iedere kilometer leek een drempel die genomen moest worden, alsof het leven hem ook op deze dag nog niet zonder afstand en omweg bij zijn geluk wilde brengen.
Op Schiphol wachtten wij samen tot zij landde en door de deur kwam lopen…
Na al die jaren van onzekerheid, afstand en angst stonden zij tegenover elkaar. Wat jarenlang onmogelijk was geweest, gebeurde in één beweging. Zij hielden elkaar vast. Niet vluchtig, niet voorzichtig, eerder alsof hun lichamen eerst moesten geloven wat hun hoofd nog nauwelijks kon bevatten.
Op de terugweg zaten zij achterin de auto. Dicht tegen elkaar aan. Hun handen hielden elkaar vast, stevig en stil. Ik keek in mijn binnenspiegel en zag iets wat ik nooit meer ben vergeten. Twee mensen die jaren van elkaar waren weggerukt, zaten weer naast elkaar. Veilig. Samen. De tranen liepen over mijn wangen.
Ook die terugreis was lang. Vanaf het vliegveld naar zijn woning lag opnieuw afstand, opnieuw onderweg zijn, opnieuw de beweging tussen plekken die niet vanzelfsprekend met elkaar verbonden waren. Toch voelde deze reis anders. Waar eerdere verplaatsingen verlies hadden gebracht, bracht deze verplaatsing thuiskomst.
Bij hun woning hadden nieuwe vrienden het huis versierd. Mensen uit de omgeving hadden gezorgd dat zij niet in een leegte aankwam. Binnen ontstond een klein feest, geworteld in hun cultuur en gedragen door opluchting. Er werd koffie gebrand, zoals dat in hun land gebruikelijk is. Zware, sterke koffie, veel te intens voor iemand die eigenlijk geen koffie lust.
Ik dronk mee, met heel veel suiker.
Niet omdat de smaak mij overtuigde, wel omdat het moment dat vroeg. Ik mocht even deel uitmaken van hun traditie, van hun vreugde, van het einde van een lijdensweg die jaren had geduurd. In dat kleine huis, in die onbekende stad, ontstond voor het eerst iets wat op thuis leek.
In de jaren daarna bouwden zij verder. Hun eerste zoon werd geboren, later hun tweede. Het gezin dat zo lang alleen in hoop had bestaan, kreeg een vorm in het dagelijks leven. Mtafuta vond werk in het maatschappelijk domein en ging andere vluchtelingen ondersteunen die net waren aangekomen. Hij hielp hen met taal, met systemen, met praktische vragen en met het leren landen in een samenleving die voor hen nog onbekend was.
Dat landen was voor hem zelf ook een proces geweest. Hij moest niet alleen de taal leren, de regels begrijpen en een bestaan opbouwen. Hij moest ook leren omgaan met een samenleving waarin waarden en vrijheden soms botsten met wat hij van huis uit had meegekregen.
Onze gesprekken kregen daardoor nieuwe lagen. We spraken over cultuur, over geloof, over vrijheid, over hoe je omgaat met mensen die anders leven dan jij gewend bent. Een van de moeilijkste onderwerpen was de LHBTQ-gemeenschap. In zijn land van herkomst was hem geleerd dat homoseksuele mannen, lesbische vrouwen, trans personen en mensen die zich anders uitdrukken dan de norm, geen plek mochten hebben. Niet door één persoon, niet door één opmerking, wel door een hele samenleving die hem dat van jongs af aan had meegegeven.
Hij vond het vreemd. Hij vond het ongemakkelijk. Hij vond het vies. Dat zei hij eerlijk.
Ik heb hem toen geprobeerd uit te leggen dat eerlijkheid over je gevoel iets anders is dan het ontzeggen van iemands bestaan. In dit land mag je iets vreemd vinden. Je mag ergens moeite mee hebben. Je mag tijd nodig hebben om iets te begrijpen. Wat je niet mag, is een ander mens onveilig maken omdat jouw gevoel schuurt. Wat je niet mag, is iemand het recht ontzeggen om te leven, lief te hebben en zichtbaar te zijn.
Die gesprekken waren niet altijd makkelijk. Voor hem niet en voor mij ook niet. Hij moest iets bevragen wat hem zijn hele leven als vanzelfsprekend was aangereikt. Dat vraagt tijd, herhaling en vertrouwen. Het vraagt ook ontmoeting, want overtuigingen veranderen zelden alleen door uitleg.
Door zijn werk kwam hij in contact met mensen die juist vanwege hun geaardheid of identiteit waren gevlucht. Mensen uit andere landen, met andere verhalen, die hier veiligheid zochten omdat zij thuis niet mochten bestaan zoals zij waren. Hij leerde hen kennen. Hij sprak met hen. Hij zag hun angst, hun pijn en hun verlangen naar een gewoon leven.
Daar gebeurde iets wezenlijks.
Hij hoefde niet alles ineens mooi te vinden. Hij hoefde niet te doen alsof jaren van aangeleerde afkeer in één gesprek verdwenen waren. Wel groeide er respect. Er groeide besef. Hij koos ervoor om deze mensen als mens te blijven zien, om met hen om te gaan, om naast hen te staan binnen dezelfde samenleving.
Daarin zag ik zijn groei. Jaren later kreeg het verhaal nog een andere laag.
Zijn kinderen waren inmiddels geen baby’s meer. Ze groeiden op, vonden hun plek, spraken de taal en bewogen zich vrijer door het leven dan hun ouders ooit hadden gekund in die eerste jaren. Het leven had zich genesteld in iets wat op stabiliteit leek, en juist in die fase ontstond ruimte voor iets wat daarvoor niet mogelijk was geweest.
Tijdens mijn Pieterpad, dat ik vorig jaar liep, kwam ik twee nachten bij hen logeren. Het was een vanzelfsprekend gebaar geworden in onze relatie, en tegelijk voelde het anders dan de eerste jaren. Er was rust, er was ruimte, er was tijd.
De dag na die twee overnachtingen liep hij een etappe met mij mee.
Die wandeling kreeg een betekenis die we allebei niet van tevoren hadden voorzien.
Na acht, negen jaar in Nederland, na alles wat er was opgebouwd, na alles wat er opnieuw was begonnen, bleek dit het moment waarop hij voor het eerst echt kon vertellen wat hij had meegemaakt. Tot die dag had hij dat niet gekund. Niet omdat hij het niet wilde delen, wel omdat het nog te dichtbij zat, te rauw, te ongrijpbaar.
Tijdens die dagen spraken we met z’n drieën. Hij, zijn vrouw en ik.
We spraken over de reis, over de keuzes, over de momenten waarop er geen keuze meer was. We spraken over angst, en vooral over haar angst. Hij had tijdens zijn vlucht ergens nog het idee dat hij in beweging was, dat hij ergens naartoe werkte. Zij bleef achter met alleen de wetenschap dat hij door de woestijn moest, dat hij de zee over zou gaan in boten waarvan hij zelf niet wist of ze het zouden houden.
Zij wist dat velen die reis niet overleven.
Zij wist niet waar hij was.
Zij wist niet of hij nog leefde.
Die onwetendheid duurde maanden, soms langer, en werd een constante die zich vastzette in haar dagelijks bestaan. Elk bericht dat uitbleef kon van alles betekenen. Elk bericht dat kwam, bracht opluchting en tegelijk de vraag hoe lang het weer stil zou blijven.
De momenten waarop hij vanuit Europa eindelijk contact kon leggen, brachten een vorm van verlichting die zich nauwelijks laat beschrijven. Het besef dat hij nog leefde, dat hij ergens was aangekomen, dat er een vervolg mogelijk was, gaf lucht na jaren van spanning die zich had opgebouwd zonder ontlading.
Tijdens die gesprekken werd zichtbaar dat hun verhaal niet alleen bestaat uit de stappen die hij heeft gezet, wel ook uit de tijd die zij heeft doorstaan.
Daar, in dat samenzijn, kreeg hun geschiedenis woorden.
En kreeg ik voor het eerst het volledige beeld.
Wanneer ik nu naar hen kijk, zie ik een gezin dat zich ontwikkeld heeft, dat bijdraagt en dat verantwoordelijkheid neemt voor hun leven en dat van hun kinderen. Ik zie dat ze niet alleen veiligheid vonden, maar ook betekenis terugvonden. Hij spreekt de taal steeds beter en helpt zijn vrouw haar weg te vinden en bouwt samen met haar aan een toekomst die ooit ondenkbaar leek. Zij ontwikkelde zich tot kleine zelfstandige ondernemer en verdient haar eigen geld. Hij blijft betrokken bij maatschappelijk werk, bij ondersteuning, bij het begeleiden van anderen die nog aan het begin staan van wat hij zelf heeft moeten doorstaan.
Dat maakt dit verhaal zo belangrijk.
Dit zijn geen logés die je ontvangt wanneer het uitkomt. Dit zijn mensen die alles achterlaten omdat blijven geen optie meer is. Mensen die verlies meedragen, onderweg keuzes maken zonder goede opties, hier opnieuw moeten leren vertrouwen en vervolgens vaak alsnog bijdragen aan de samenleving die hen opvangt.
De naam die ik gebruik in dit verhaal is geen echte naam.
Mtafuta Bahati.
In het Swahili verwijst die naam naar iemand die op zoek is naar geluk: De Gelukszoeker. Die betekenis raakt aan iets wat dieper ligt dan dit verhaal alleen. Het verlangen naar veiligheid, naar perspectief, naar een plek waar het leven zich kan ontvouwen.
Dat verlangen verbindt.
In die zin vertelt dit verhaal niet alleen iets over hem. Het vertelt iets over ons allemaal.
We zijn allemaal een gelukzoeker.”