Simon Rozendaal schrijft met zichtbaar plezier over de vruchtbare delta, de eeuwenlange landbouwkennis en de innovatiekracht van Nederlandse boeren. Die geschiedenis is waardevol; daarover geen misverstand. Maar hij gebruikt die geschiedenis vervolgens als legitimatie voor de landbouwpraktijken van vandaag, alsof er een rechte lijn loopt van de kleiboeren uit de Middeleeuwen naar de megastallen van nu. Dat is een nostalgisch frame dat de realiteit verhult.
Want de vooruitgang die Rozendaal prijst heeft een forse tol geëist. Weilanden zijn leeg. De koeien waar hij zo romantisch naar verwijst staan merendeels binnen, hun hele leven, in megastallen die elke verbinding met de natuur hebben verloren. Ze leven op rubber, onder kunstlicht, gevoerd met geïmporteerd krachtvoer en gehouden in aantallen waarvoor buitenruimte eenvoudigweg ontbreekt. Niet alleen koeien, kippen, varkens, geiten: hele diersoorten zijn we uit het landschap gehaald en in dozen gestopt omdat schaalvergroting en margedruk dat ‘efficiënt’ maakten.
Dat boeren gif spuiten, ammoniak uitstoten en zo ecosystemen aantasten is geen karikatuur van activisten, maar een meetbare werkelijkheid. Ik woon op een biologische wijngaard die het predicaat niet eens mág dragen vanwege de vervuiling die letterlijk uit de megastal naast ons komt. Dat is het gevolg van een systeem waarin winst, volume en export leidend zijn geworden – en waarin de individuele boer vaak net zo goed slachtoffer is. De boer van vandaag is niet de boer uit Rozendaals romantische openingsalinea’s. Het systeem is totaal veranderd, maar Rozendaal doet alsof het één ononderbroken lijn van vakmanschap, trots en natuurverbondenheid is. Dat klopt gewoon niet.
In zijn laatste alinea haalt Rozendaal David Attenborough aan als autoriteit die ons bevestigt dat intensieve Nederlandse landbouw “natuurvriendelijk” zou zijn. Maar Attenborough zegt dat niet. In A Life on Our Planet legt hij uit dat efficiënte teelt ruimte kan maken voor natuur – én dat een duurzame toekomst alleen mogelijk is als we minder dierlijke eiwitten consumeren, biodiversiteit herstellen en regeneratieve landbouw omarmen. Hij prijst geen megastallen aan. Hij noemt Nederland nergens een model voor veehouderij. En al helemaal niet een systeem dat het huidige stikstof- en biodiversiteitsprobleem zou rechtvaardigen. Rozendaal citeert dus slechts dat ene element dat zijn verhaal past, en laat bewust de rest weg -precies het deel waar Attenboroughs boodschap werkelijk om draait.
En dan nog dit: ja, we mogen de boer koesteren. Maar koesteren betekent niet blind verdedigen wat niet meer houdbaar is. Koesteren betekent dat we de boer helpen zijn weg terug te vinden naar een vorm van landbouw die past bij de behoeften van deze tijd: gezond voedsel, schone lucht, herstel van biodiversiteit, én een eerlijke prijs die zijn bestaanszekerheid garandeert. Een systeem waarin boer en natuur niet langer tegenpolen zijn, maar elkaars fundament.
Precies daar wringt Rozendaals stuk. De laatste alinea’s verschuiven van feiten naar vijandbeelden: media haten de boer, ecologen zijn activistische agenten, rapporten zijn verzonnen, critici zijn hysterisch. Het is een stijl die we herkennen: niet inhoudelijk bijdragen aan oplossingen, maar het gesprek zo framen dat elke poging tot verbetering verdacht wordt gemaakt. Het is dezelfde tactiek waarmee elke noodzakelijke transitie, energie, klimaat, biodiversiteit, wordt weggezet als een complot van activisten en journalisten. Daarmee wordt niet de natuur beschermd, maar het debat vergiftigd. En dat helpt precies datgene om zeep waar het werkelijk om zou moeten gaan: alles doen wat binnen onze mogelijkheden ligt om het land, de natuur én de boer weer toekomstbestendig te maken, in plaats van hen te reduceren tot decorstukken in het theater van de populisten.