Als de weg naar school steeds korter wordt

Iedere ochtend speelt zich rond basisscholen ongeveer hetzelfde tafereel af. Auto’s rijden de straat in, stoppen even langs de kant en een portier gaat open. Een kind stapt uit, pakt zijn tas en krijgt vanuit de auto nog een zwaai of een ‘doei, fijne dag’ mee. Het portier valt dicht en de auto rijdt verder. Aan het einde van de middag herhaalt het ritueel zich in omgekeerde richting. Het is praktisch, het past in een drukke ochtend en voor veel ouders voelt het waarschijnlijk ook als goed zorgen voor hun kind.

Toch vraag ik mij steeds vaker af wat er gebeurt wanneer de weg naar school op deze manier steeds korter wordt. Niet in kilometers, want het huis staat nog altijd even ver van de school. De weg wordt korter in tijd, in beleving en vooral in alles wat een kind onderweg tegenkomt. Van de voordeur naar de achterbank en even later van de achterbank naar het schoolplein. Een reis die vroeger misschien twintig of dertig minuten duurde, wordt teruggebracht tot enkele minuten waarin de wereld grotendeels achter een autoruit voorbijgaat.

Wie met een kind naar school loopt of fietst, doet namelijk veel meer dan een kind van A naar B brengen. Je bent samen onderweg. De ene ochtend schijnt de zon, de volgende ochtend regent het en een paar maanden later fiets je in het donker weg. Je merkt dat de bomen hun bladeren verliezen, dat ergens een huis wordt gebouwd en dat een winkel die jarenlang op dezelfde hoek zat ineens verdwenen is. Je komt dezelfde mensen tegen, ziet een buurman zijn hond uitlaten en merkt dat de bakker zijn deuren al heeft geopend. Een kind leert zo ongemerkt de omgeving kennen waarin het opgroeit.

Ook verkeer leer je uiteindelijk vooral door eraan deel te nemen. Een kind kan op school leren dat verkeer van rechts voorrang heeft en dat je bij een rood verkeerslicht moet stoppen. Buiten ontdekt het dat verkeersdeelnemers zich niet altijd gedragen zoals het boekje voorschrijft. Het leert snelheid inschatten, oogcontact zoeken, vooruitkijken en herkennen wanneer een situatie onoverzichtelijk wordt. Eerst fietst vader of moeder ernaast en zegt wanneer het veilig is om over te steken. Later kijkt het kind zelf. Nog wat later fietst het een stukje vooruit en uiteindelijk komt de dag waarop het zelfstandig naar school gaat. Zelfstandigheid ontstaat daar niet plotseling. Zij groeit onderweg, kilometer voor kilometer.

Juist die kilometers met een vader of moeder hebben volgens mij nog een andere waarde. Ik kan niet met een onderzoek aantonen dat een kind een betere band met zijn ouders krijgt wanneer zij jarenlang samen naar school fietsen. Ik geloof wel dat die gezamenlijke tijd ertoe doet. Vijf minuten in een auto is voor mijn gevoel iets anders dan een halfuur naast elkaar fietsen. Niet omdat er tijdens iedere fietstocht een bijzonder gesprek gevoerd moet worden. Waarschijnlijk gaat het vaak nergens over. Je fietst, je kijkt om je heen, je kind vertelt ineens iets over gisteren, vervolgens zijn jullie een tijdje stil en daarna klaagt iemand over de tegenwind. Juist in die gewone tijd hoeft niets georganiseerd te worden. Je bent bij elkaar.

Ook slecht weer hoort daarbij. Samen door de regen fietsen klinkt niet direct als iets wat we onze kinderen zouden moeten gunnen. Toch zit zelfs daarin een ervaring. Je wordt nat, de wind zit tegen, je hebt er weinig zin in en uiteindelijk kom je gewoon op school aan. De jas gaat aan de kapstok, de haren zijn wat nat en even later begint de les. Een kind ontdekt daarmee iets eenvoudigs wat later in het leven nog vaak van pas kan komen: niet ieder ongemak hoeft voorkomen te worden om een goede dag te kunnen hebben.

Wij willen onze kinderen graag beschermen. Dat hoort bij opvoeden. We willen dat ze veilig aankomen, niet door gevaarlijk verkeer hoeven, niet door de stromende regen fietsen en op tijd op school zijn. Alleen roept die bescherming bij mij ook een vraag op. Wanneer nemen we door het wegnemen van ongemak tegelijkertijd ervaringen weg die nodig zijn om met dat ongemak te leren omgaan? We willen kinderen voorbereiden op de wereld en tegelijkertijd zijn we steeds beter geworden in het organiseren van die wereld rondom het kind.

De gevolgen beperken zich ook niet tot het kind. Wie naar het schoolplein fietst of loopt, komt daar andere ouders tegen. Je zegt goedemorgen, maakt een praatje en leert na verloop van tijd gezichten kennen. Je hoort dat een klasgenoot ziek is of merkt dat er bij een gezin iets speelt. Een leerkracht ziet ouders bij het hek staan en een ouder kan even vragen hoe het gaat. Niet ieder contact hoeft belangrijk te zijn. Juist de optelsom van al die kleine ontmoetingen maakt dat een school meer kan worden dan een gebouw waar kinderen ’s morgens worden afgeleverd en ’s middags weer worden opgehaald.

Wanneer steeds meer ouders vanuit de auto afscheid nemen en later vanuit diezelfde auto hun kind weer meenemen, verandert daardoor ook iets rondom de school. Ouders ontmoeten elkaar minder vanzelfsprekend. De leerkracht en de ouder komen elkaar minder gemakkelijk tegen. Kinderen zien minder van die ontmoetingen tussen volwassenen. Een deel van het sociale leven rondom een basisschool verplaatst zich daarmee van het schoolplein naar afzonderlijke auto’s.

En dan is er nog de omgeving zelf. Een kind dat jarenlang dezelfde route loopt of fietst, bouwt ongemerkt een kaart van zijn eigen wereld. Het weet waar de supermarkt is, welke straat naar het park leidt en waar je voorzichtig moet zijn omdat auto’s uit een uitrit komen. Afstanden krijgen betekenis. Tien minuten fietsen voelt anders dan twintig minuten lopen. Het kind weet waar het woont ten opzichte van school en ontdekt gaandeweg hoe straten, wijken en mensen met elkaar verbonden zijn. De wereld wordt niet alleen bekeken, zij wordt ervaren.

Daarbij geven ouders onderweg voortdurend kennis door zonder zichzelf als leraar te zien. ‘Kijk even goed, die auto heeft jou volgens mij nog niet gezien.’ ‘Ze zijn daar al een heel eind met dat huis.’ ‘Voel je hoe koud het ineens is?’ ‘Volgens mij krijgen die bomen alweer nieuwe bladeren.’ Het zijn geen lessen en er volgt geen toets. Toch leert een kind ervan. Het leert kijken, vragen stellen, verbanden leggen en aandacht hebben voor wat er om hem heen gebeurt.

Daarom vind ik de discussie over kinderen naar school brengen uiteindelijk veel groter dan de vraag of de fiets beter is dan de auto. Gezinnen verschillen, afstanden verschillen en niet iedere route naar school is veilig genoeg om met een jong kind te fietsen. Ouders hebben werk, afspraken en volle agenda’s. De auto kan noodzakelijk zijn en een autorit kan net zo goed een fijn moment tussen ouder en kind opleveren. Het gaat mij niet om het veroordelen van ouders die hun kinderen brengen. Het gaat mij om de vraag of we voldoende beseffen wat die weg naar school allemaal bevat.

We spreken in het onderwijs graag over de leeromgeving van een kind. Dan denken we aan het klaslokaal, het schoolgebouw, het plein en steeds vaker ook aan de inrichting daarvan. Toch begint die leeromgeving voor mijn gevoel veel eerder. Zij begint zodra een kind de voordeur achter zich dichttrekt. De straat is een leeromgeving. Het kruispunt is dat ook. De regen, de buurman, de bouwplaats, de winkelier, de andere kinderen en de vader of moeder die naast je fietst horen allemaal bij een wereld die iedere ochtend opnieuw iets te vertellen heeft.

De weg naar school lijkt gemakkelijk op verloren tijd. Tijd die we met de auto kunnen terugwinnen. Alleen is tijd onderweg niet noodzakelijk verloren tijd. Het kan juist tijd zijn waarin een kind leert zonder te weten dat het leert, waarin een ouder opvoedt zonder bewust aan het opvoeden te zijn en waarin een kind stukje bij beetje ontdekt dat de wereld groter is dan thuis en het klaslokaal.

Daarom blijft voor mij de vraag hangen wat we precies korter maken wanneer we de weg naar school verkorten. De afstand blijft dezelfde. We winnen minuten en gemak, terwijl onderweg mogelijk iets anders achterblijft: gezamenlijke tijd, zelfstandigheid, beweging, ontmoetingen, weersomstandigheden, verkeerservaring en het langzaam leren kennen van de wereld waarin je leeft.

Een kind hoeft onderweg naar school niet voortdurend iets te leren. Het hoeft alleen onderweg te mogen zijn. Juist daar, tussen de voordeur en het schoolplein, kan meer onderwijs plaatsvinden dan we op het eerste gezicht denken.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.