Het moment waarop Revirentem ontstond
Een aantal jaren geleden ging ik voor het eerst écht hiken in Noorwegen. Niet zomaar een wandeling, maar een meerdaagse tocht met volle bepakking. Ons eerste grote doel was Trolltunga – die iconische rots die als een tong boven een diepblauw meer hangt
Voor veel mensen is Trolltunga een lange dagtocht: vijf à zes uur enkel omhoog, een moment op de rots, en dezelfde weg weer terug. Wij pakten het anders aan. Wij zouden het meer waar Trolltunga boven hangt in ongeveer een week tijd rondlopen. Dat betekende geen dagrugzak, maar volle bepakking – zo’n vijfentwintig kilo. En wie Trolltunga kent, weet ook dit: de tocht begint niet vriendelijk. Je start direct met een stevige klim.
Het was mijn allereerste echte hike in Noorwegen. Ik liep samen met Marco, mijn hikemaatje. Marco is ervaren, sterk en heeft ontelbaar veel kilometers in de benen. Dus al in de eerste honderden meters maakte ik een besluit dat logisch leek: ik zou hem volgen. Zijn tempo. Zijn pad. Zijn manier van lopen.
Alleen… Marco is anderhalve kop kleiner dan ik en veel sterker. Dat betekent niet minder stappen – integendeel. Hij maakt er vaak meer. Maar zijn klim is wezenlijk anders. Waar ik automatisch zoek naar grote, krachtige passen, kiest hij andere lijnen. Kleinere stappen. Andere voetenplaatsen. Een ander ritme. Niet sneller, niet langzamer – maar efficiënter voor zijn lijf. Ik probeerde zijn pad te volgen. Zijn keuzes. Zijn manier van klimmen. Maar wat voor hem logisch en natuurlijk was, werkte voor mij averechts. Mijn benen liepen vol. Mijn ademhaling werd zwaar. En terwijl hij ogenschijnlijk moeiteloos omhoog bleef gaan, begon ik langzaam leeg te lopen.
Bij elke pauze kwam ik nét te laat aan. Marco had zijn rustmoment al gehad, stond alweer op en liep door. Ik nam steeds te korte pauzes, bang om steeds verder achter te raken. Met elke meter brandden mijn bovenbenen harder. Mijn energie liep weg. Vlak voor de top – wat ik toen nog niet wist – was het klaar. Ik zat op een steen. Spierpijn. Uitgeput. Een koude doek over mijn bovenbenen tegen de brandende spieren. Ik wilde niet meer. Echt niet. Opgeven voelde ineens als een reële optie..
Toen kwam er een man naar beneden lopen. Oud. Letterlijk twee keer zo oud als ik, zo zou later blijken. Hij keek me aan, zag me zitten en zei rustig:
“Je bent er bijna. Zal ik je rugzak even tillen?”
Dat schoot me volledig in het verkeerde keelgat. Een man van die leeftijd die míjn rugzak zou dragen? Geen sprake van. Ik wees het resoluut af. We raakten wel aan de praat. Hij vertelde dat hij deze wandeling elke dag deed. Hij woonde hier. Dit was zijn ochtendrondje: even omhoog, even omlaag. Hij was 86. Ik was 43. Voor hem gesneden koek. Voor mij op dat moment allesbehalve. Marco kwam terug. Hij was al boven geweest. Hij zei: “Het is echt dichtbij. Als je hier boven bent, zie je het. Zullen we samen aankomen?”
Ik deed mijn rugzak weer om. En ineens liep ik. Niet het tempo van Marco. Niet het tempo van eerder die dag. Het laatste stuk ging ik zelfs hard. Zo hard dat ik zelfs een stuk rende – met die vijfentwintig kilo op mijn rug. Vijf minuten daarvoor zat ik gebroken op een steen.
Nu stond ik op Trolltunga.
Ik stond, ik zat, ik sprong. Samen met Marco. Euforie. Uitzicht. Stilte. En vooral: het diepe besef dat ik het gehaald had. We zouden daar overnachten. De rots was van ons alleen. Terwijl we kookten en praatten, stelde Marco een terechte vraag: “Is het niet verstandiger om morgen rustig terug te lopen? Je ging vandaag echt stuk, en we moeten nog bijna een week.” Maar voor mij was het helder. Nee. We gaan door. Anders, maar wel door. Want ik had twee lessen geleerd.

De eerste les:
Ik moet mijn eigen pad lopen. Mijn eigen tempo. Mijn eigen stappen. Mijn eigen pauzes. Ik loop míjn tocht – niet letterlijk naast Marco, niet achter hem aan. Een eigen pad, een eigen tempo, onderweg komen we elkaar vanzelf weer tegen. En alleen zo voelde ik: dit kan ik volhouden.
De tweede les:
Op het moment dat je denkt dat je echt stuk zit, is het zelden écht op. Er zit ergens in jezelf een luikje. Een reserve. Een diepere laag energie. Die oude man was mijn luikje-opener. Niet doordat hij me hielp, maar doordat hij mijn trots raakte. En ineens was daar energie. Genoeg om door te gaan. Genoeg om te rennen. Zit dat luikje er niet meer? Dan ben je – heel lomp gezegd – dood.
Twee lessen dus
Loop je eigen pad. Kies je eigen stappen. Ook al is het doel hetzelfde, de weg ernaartoe is voor iedereen anders. Loop je het pad van een ander, dan ga je stuk en verdwijnt het plezier. Loop je je eigen pad, dan draag je het – en geniet je.
Na een verder succesvolle, intense en prachtige tocht keerden we terug naar de camping en uiteindelijk naar huis. Op die terugreis ontstond de naam Revirentem in mijn hoofd.
Deze ervaring vormt de kern van mijn coachpraktijk Revirentem.
In mijn werk begeleid ik mensen die vastlopen omdat ze – vaak onbewust – het pad van een ander zijn gaan lopen. Sneller, harder of volgens een maatstaf die niet de hunne is.
Als coach help ik je vertragen waar nodig, keuzes herzien en opnieuw afstemmen op wat voor jóu klopt. We onderzoeken waar je energie verliest, waar je jezelf overvraagt en welk “luikje” ongebruikt is gebleven. Niet om grenzen te forceren, maar om ze helder te krijgen.
Revirentem is er voor mensen die voelen: zo werkt het niet meer.
Die niet op zoek zijn naar nóg een truc, maar naar een manier van leven en werken die klopt.
Zodat je je eigen pad kunt lopen – met kracht, realisme en richting


