Afgelopen Sabbat kreeg ik een cadeau dat je nergens kunt kopen.
Na de kerkdienst ging ik met Wilco en Celeste mee naar huis. Koen was er ook, de zwager van Celeste, getrouwd met haar oudere zus. Daarnaast was de vrouw aanwezig die jarenlang als nanny een belangrijke rol speelde in de jeugd van Celeste en daardoor nog altijd als familie voelt. Aaron, de volwassen zoon van Wilco en Celeste, zat eveneens aan tafel. Hij luisterde aandachtig mee, knikte geregeld instemmend en vormde op zijn eigen rustige manier onderdeel van het gesprek.
Wat begon als samen eten, groeide uit tot een dag die ik niet snel zal vergeten. Aan het einde van de Sabbat sloten we de dag gezamenlijk af. Er werd gezongen. Ik zong niet mee, eenvoudigweg omdat ik de liederen nog niet ken. Toch raakte dat moment mij. De rust, de verbondenheid en de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen de Sabbat beleefde, maakten indruk. Daarna volgde opnieuw een persoonlijk gesprek dat doorging tot laat in de avond.
Ik reed naar huis met een hoofd vol vragen, dat voelde als een soort warme douche van dankbaarheid.
Tijdens het gesprek kwam de gedachte voorbij dat de evangeliën eigenlijk vier getuigenverklaringen vormen. Dat argument had ik vaker gehoord. Alleen merkte ik dat ik onvoldoende kennis had om daar zorgvuldig op te reageren. Dat antwoord wilde ik mezelf ook niet cadeau geven. Eerst lezen. Eerst onderzoeken. Daarna pas een conclusie trekken. Dat onderzoek bracht mij bij iets wat ik bijzonder vind.
Over de dood van Judas blijken in het Nieuwe Testament twee verschillende beschrijvingen te staan. In Matteüs krijgt Judas berouw, brengt hij het geld terug en hangt hij zichzelf op. In Handelingen koopt Judas een akker met de beloning van zijn verraad en sterft hij daar. Uiteraard worden deze twee verhalen regelmatig met elkaar verbonden. Judas zou zich eerst hebben verhangen, waarna zijn lichaam later naar beneden viel p[ de akker. De priesters zouden vervolgens met hetzelfde geld de akker, later benoemd tot “bloedakker” hebben gekocht.
Ik begrijp die poging, en toch bleef één gedachte bij mij hangen. Geen van die verbindende stappen staat daadwerkelijk in de Bijbel. De uitleg ontstaat buiten de tekst om beide beschrijvingen met elkaar in overeenstemming te brengen. Dat mag uiteraard. Iedereen mag, kan en wellicht zelfs moet, een verklaring zoeken die voor hem/haar overtuigend is. Voor mij voelt het minder vanzelfsprekend om een tekst te verklaren met informatie die diezelfde tekst niet geeft. Zeker niet als het Boek een bepaalde waarde meekrijgt. Het is immers een Boek waar veel mensen niet aan willen twijfelen.
Tijdens mijn verdere zoektocht ontdekte ik vervolgens nog iets. Marcus geldt volgens veel historici als het oudste evangelie. Zowel Matteüs als Lucas gebruikten Marcus op veel plaatsen als belangrijk(st)e bron voor hun eigen evangelie. Dat verklaart waarom grote delen van hun beschrijvingen zoveel overeenkomsten vertonen. Johannes volgt grotendeels een eigen traditie en kent een duidelijk andere opbouw en invalshoek. Juist daardoor vind ik het opvallend wat er gebeurt zodra het over de dood van Judas gaat.
Marcus vertelt daar helemaal niets over. Johannes evenmin. Op dat moment blijven alleen Matteüs en Lucas over. Zij moeten dat deel van hun verhaal dus uit een andere overlevering hebben gehaald dan Marcus. En juist daar lopen hun beschrijvingen uiteen.
Dat zette mij opnieuw aan het denken.
Wanneer drie evangelisten voor een groot deel dezelfde bron gebruiken en een vierde evangelist een grotendeels eigen traditie volgt, verwacht je dat een gebeurtenis als de dood van Judas óf breed wordt bevestigd, óf op zijn minst vergelijkbaar wordt beschreven. In plaats daarvan zwijgen twee auteurs volledig, terwijl de twee anderen een verschillend verhaal vertellen.
Dat bewijst voor mij niets maar het maakt mij wel voorzichtig met stellige conclusies. Sterker nog, het brengt mij tot de gedachte dat we uiteindelijk helemaal niet met zekerheid weten hoe Judas aan zijn einde is gekomen. Juist doordat de overleveringen uiteenlopen en twee evangelisten er helemaal niets over schrijven, blijft die vraag voor mij open.
In een vorige blog schreef ik over het Evangelie van Judas. Daar beschreef ik waarom ik steeds meer ben gaan geloven dat Judas niet de ultieme verrader was, maar juist de leerling die de zwaarste opdracht kreeg. Dat was voor mij geen eindpunt van een zoektocht. Het was juist het begin ervan.
Deze nieuwe ontdekkingen versterken die gedachte eerder dan dat ze haar verzwakken.
Wanneer de Bijbel zelf geen eenduidig antwoord geeft op de vraag hoe Judas is gestorven, ontstaat er ook ruimte om opnieuw naar zijn rol te kijken. Niet om alles wat eeuwenlang is geloofd overboord te zetten, wel om de vraag te durven stellen of wij Judas altijd door de juiste bril hebben bekeken.
Jezus zegt tegen Judas: “Doe wat je moet doen.”
Velen lezen daarin een vooruitblik op het verraad dat komen gaat. Ik lees daarin steeds vaker een opdracht. Geen opdracht die Judas zelf bedacht, wel een opdracht die paste binnen Gods plan. Vanuit die gedachte krijgt ook de kus een andere betekenis.
Niet langer uitsluitend het symbool van het grootste verraad.
Voor mij groeit steeds meer de gedachte dat het juist een daad van liefde was. De kus waarmee Judas vrijwillig de rol op zich nam waarvan hij wist dat hij daarvoor door de geschiedenis veroordeeld zou worden.
Dat maakt Judas voor mij nooit gelijk aan Jezus, integendeel. Het offer van Jezus blijft uniek. Hij gaf zijn leven voor de mensheid. Judas gaf, in mijn overtuiging, zijn naam op voor de geschiedenis. Dat zijn twee totaal verschillende vormen van zelfopoffering.
Juist daarom geloof ik ook steeds minder dat Judas zichzelf van het leven heeft beroofd. Dat zou voor mij niet passen bij de opdracht die hij had volbracht. Het zou zijn eigen offer bijna op één lijn brengen met dat van Jezus, terwijl ik juist geloof dat het offer van Christus onovertroffen en onvergelijkbaar is. Steeds vaker gebruik ik daarvoor een metafoor die mij helpt mijn eigen gedachten te ordenen:
His-story.
Niet omdat het Engelse woord history daar letterlijk vandaan komt. Dat is taalkundig simpelweg onjuist, zie mijn eerste blog over “His-story” voor meer duiding. De metafoor herinnert mij eraan dat geschiedenis altijd door mensen wordt verteld. Mensen herinneren zich gebeurtenissen. Mensen leggen accenten. Mensen geven betekenis aan wat zij belangrijk vinden. Iedere schrijver kijkt door zijn eigen venster naar dezelfde werkelijkheid.
Dat beeld wordt voor mij versterkt door de ontstaansgeschiedenis van de evangeliën. Ze zijn tientallen (60-100) jaren na de gebeurtenissen pas opgeschreven. De oorspronkelijke teksten presenteren zich daarbij nergens met uitspraken als: “Ik, Matteüs, zag dit gebeuren.” De namen van de evangelisten zijn later door de vroege kerk aan de boeken verbonden. Dat hoeft voor mij niets af te doen aan de waarde van deze boeken in het bijzonder of de Bijbel in het algemeen. Het laat juist zien dat God ervoor heeft gekozen om door mensen heen te werken, met alles wat daarbij hoort.
Juist daardoor zie ik de Bijbel steeds meer als een verzameling geloofsgetuigenissen. Geen modern proces-verbaal waarin iedere gebeurtenis woord voor woord wordt vastgelegd, wel geschriften waarin mensen proberen te beschrijven wie Jezus voor hen was en wat zijn leven, zijn dood en zijn opstanding voor de wereld betekenen.
Dat doet voor mij niets af aan de betekenis van Jezus, eerder het tegendeel. Zijn leven, zijn liefde, zijn boodschap en zijn offer staan voor mij nog altijd als een huis. Echter juist daarom voel ik ook de vrijheid om vragen te stellen over de manier waarop die verhalen zijn overgeleverd. Vragen vormen voor mij geen bedreiging van mijn geloof. Ze nodigen mij uit om dieper te graven, aandachtiger te lezen en eerlijk te blijven onderzoeken.
Het mooiste inzicht van afgelopen Sabbat kwam uiteindelijk niet uit een boek.
Het kwam voort uit een gesprek.
Een gesprek waarin ruimte bestond voor verschil van inzicht zonder dat de onderlinge verbondenheid verloren ging. Ik voelde geen behoefte om te winnen. Ik voelde alleen de vrijheid om te zoeken. Daar ben ik Wilco, Celeste, Koen, Aaron en iedereen die die dag aan tafel zat oprecht dankbaar voor.
Dat gevoel neem ik mee. Veel meer dan de antwoorden die ik gisteren, en ook vandaag, nog niet had.