Ik werd wakker midden in een droom. Zo’n wakker worden dat je meteen weet: dit was geen losse flard, dit was een verhaal. Alleen… het was nog niet af. Mijn ouders waren erin. Dat alleen al is bijzonder. Ze zijn allebei al lang geleden overleden – veertien, vijftien, zestien jaar geleden inmiddels. Ze komen niet vaak meer voor in mijn dromen. En als ze er zijn, voelt het altijd anders dan gewone herinneringen. Alsof de droom niet alleen over hen gaat, maar met hen gebeurt.
We stonden bij een perenboom. Of beter gezegd: zij stonden erin. Hoog. Veel hoger dan een perenboom ooit zou kunnen zijn. Er was een ladder, en ze waren peren aan het plukken. Dat is vreemd, want wij hebben nooit een perenboom gehad. Mijn moeder heeft nooit peren geplukt. En al helemaal niet hoog in een boom, op een ladder. Toch was het volkomen logisch in de droom. Mijn moeder was geconcentreerd bezig. Ze bekeek de peren één voor één. Sommige waren goed. Andere niet. De slechte werden ook geplukt, maar daarna apart gelegd. Weggehaald. Dat detail bleef hangen. Niet alleen het plukken, maar het onderscheiden. Dit is goed. Dit niet. Dit mag blijven. Dit moet weg.
Ondertussen waren we met iets heel anders bezig. Ik vertelde hun over een verhaal van een zanger die een ernstig auto-ongeluk had veroorzaakt. Een echt gebeurd verhaal. Geen droomverzinsel. Ik wist dat het klopte, maar ik kon de naam niet meer vinden. Alleen “Marco” bleef hangen.
We gingen zoeken. Samen.
En toen gebeurde er iets wat misschien nog vreemder was dan die hoge perenboom: mijn ouders zaten achter de computer. Te googelen. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Mijn vader kan ik me daar nog iets bij voorstellen. Die werkte met computers. Maar mijn moeder… die had nog nooit achter een computer gezeten. Die bleef daar juist altijd bij vandaan. En toch zat ze er nu. Gericht. Betrokken. Alsof ze zei: ik help je wel even. We vonden de naam niet. Hoe we ook zochten. Pas toen ik wakker werd, typte ik dezelfde vraag in. En toen kwam hij wél: Marco Bakker. Het verhaal klopte.
En dat maakt de droom zo intrigerend. Want waarom dit alles samen?
Waarom mijn ouders – die er al zo lang niet meer zijn – in een boom die nooit bestaan heeft, met fruit dat we nooit hadden, terwijl ze me helpen zoeken naar de naam van iemand die iets onherroepelijks heeft veroorzaakt? Langzaam begon zich een betekenis af te tekenen. De boom voelde als iets wat gegroeid was. Niet letterlijk, maar innerlijk. Hoog, omdat het overzicht vraagt. De ladder als het middel om erbij te komen. Niet vanzelf, maar met moeite, stap voor stap.
Het plukken van de peren – goed en slecht – voelde als iets wat verder ging dan fruit. Het leek op ordenen. Op zuiveren. Op onderscheid maken tussen wat voedt en wat niet. Tussen wat je meeneemt en wat je achterlaat. Zelfs de slechte peren moesten geplukt worden, niet genegeerd. Ze mochten alleen niet blijven.
En ineens dacht ik aan iets anders. Iets echts. Voor de dood van mijn moeder hebben wij, haar zoons, allemaal een appelboom gekregen. Met de gedachte dat we elk jaar opnieuw een cadeau van haar zouden ontvangen. Als symbool voor dat het leven doorgaat, zorg die blijft, ook na het afscheid. Dat ze daarna snel zou overlijden, wisten we toen nog niet. Misschien stonden die peren niet los van die appelbomen. Misschien gebruikte mijn droom gewoon een ander beeld om hetzelfde te zeggen.
En dat ongeluk? Die zanger?
Misschien gaat dat niet over hem. Maar over schuld, breuk, onomkeerbaarheid. Over het moment waarop iets kantelt en je nooit meer terug kunt. En mijn zoektocht naar zijn naam – dat eindeloze wie was het ook alweer – voelde ineens als iets anders: de behoefte om dingen te benoemen. Om verantwoordelijkheid een naam te geven. Om te begrijpen wat er gebeurd is, zelfs als dat niets meer ongedaan maakt.
Dat mijn ouders me daarin hielpen, voelt niet toevallig. Niet als nostalgie, maar als begeleiding. Alsof ze zeiden: je hoeft dit niet alleen uit te zoeken. Alsof ze samen met mij nog één keer hielpen ordenen. Kiezen. Wegleggen wat niet meer dient. Ik werd wakker voordat de droom af was. Maar misschien was hij al rond. Niet alles hoeft een antwoord te hebben om betekenis te dragen. Soms is het genoeg dat iets even samenkomt: zorg, verlies, onderscheid, zoeken. En dat je voelt dat je daarin niet alleen staat – zelfs niet na zoveel jaren.
Misschien was dit geen droom om te verklaren. Maar een droom om te dragen.
Is er een brug naar het drieluik? Misschien is dit de plek waar deze droom thuishoort?
Niet aan het begin van het verhaal, en ook niet middenin. Maar hier. Na de verschuiving. Na de leegte. Na de eerste contouren van iets nieuws.
De afgelopen twee jaar heb ik geschreven over afbraak, over nergens thuishoren, over zoeken zonder kaart. Over hoe het oude moest verdwijnen voordat ik kon zien wat er werkelijk van mij was. Over hoe kwetsbaarheid geen zwakte bleek, maar richting gaf. Over hoe menselijkheid mij droeg, juist toen systemen dat niet deden.
Dit droomverhaal voelt niet als een terugblik, maar ook niet als een ‘vooruitwijzer’. Het voelt als een tussenmoment van ordening. Alsof mijn binnenwereld – net als mijn leven – even stilstond om te kijken:
wat is rijp geworden?
wat mag blijven?
wat moet alsnog worden losgelaten, ook al heb je het eerst vastgepakt?
Dat mijn ouders daarin verschijnen, voelt niet toevallig. Niet als nostalgie, maar als herkomst. Als de plek waar waarden worden doorgegeven zonder woorden. Dat zij niet antwoorden geven, maar helpen zoeken, past misschien beter bij wie zij voor mij waren dan welk gesprek ook. Ook toen al!
En misschien past deze droom daarom precies tussen het tweede en derde deel van mijn drieluik.
Tussen leegte en richting.
Tussen wachten en bewegen.
Tussen loslaten en kiezen.
Want pas nadat je hebt opgeruimd – niet door weg te duwen, maar door te onderscheiden – ontstaat ruimte voor iets nieuws. Niet als toeval. Niet als magie. Maar als iets wat zich aandient wanneer je bereid bent verantwoordelijkheid te dragen voor wat je meeneemt.
In dat licht voelt “Waar wonderen beginnen” niet als een plotseling keerpunt, maar als een logisch vervolg. Wonderen ontstaan zelden uit chaos alleen. Ze ontstaan wanneer iemand, na alles wat is weggevallen, durft te zeggen:
dit neem ik mee
dit laat ik achter
en dit ga ik bouwen – niet alleen voor mijzelf.
Misschien was dat wat deze droom kwam doen.
Niet om iets nieuws toe te voegen.
Maar om stilletjes te bevestigen dat de richting klopt.