Een paar dagen geleden kreeg ik via Facebook het verzoek om een privégesprek te openen. Ik had me de afgelopen dagen nadrukkelijk uitgesproken in de groep ‘Nederland zegt nee tegen AZC’, dus ik vermoedde dat het bericht daarmee te maken had. Ik accepteerde het verzoek en ontving vrijwel meteen een belediging. Toen ik vroeg wat het probleem precies was en of de afzender zijn bezwaren met feiten kon onderbouwen, volgden nieuwe scheldwoorden en een aanval op mijn vermeende politieke overtuiging. Van een gesprek kwam het niet. Wat me vooral bezighield, was hoe vanzelfsprekend het kennelijk was geworden om een onbekende op deze manier aan te spreken.
Ik meng me al lange tijd in discussies waarin extreemrechtse opvattingen, racisme en discriminatie worden verdedigd of gebagatelliseerd. Dat doe ik bewust. Niet omdat ik verwacht dat iedere deelnemer zich door een reactie van mij laat overtuigen, wel omdat ik het belangrijk vind dat ongefundeerde beweringen niet onweersproken blijven. Een Facebookgroep met de naam ‘Nederland zegt nee tegen AZC’ vertegenwoordigt niet vanzelfsprekend het oordeel van Nederland. Evenmin is iedere Nederlander die vragen stelt over asielopvang een extremist. Juist dat onderscheid doet ertoe. Wie werkelijk een maatschappelijk vraagstuk wil begrijpen, moet bereid zijn verschillen te zien, argumenten te wegen en de eigen aannames te onderzoeken.
In die discussies vraag ik geregeld naar feiten. Waar komt een getal vandaan? Op welke gebeurtenis is een bewering gebaseerd? Wat zegt een individueel incident over een hele bevolkingsgroep? Het zijn gewone vragen, die in ieder gesprek over beleid gesteld zouden moeten kunnen worden. Toch blijkt juist zo’n vraag geregeld voldoende om de aandacht van het onderwerp naar de persoon te verleggen. Dan ben ik ineens ‘links’, naïef of blind voor de werkelijkheid. In één reactie werd het vragen naar bronnen op zichzelf al verdacht gemaakt. Alsof nieuwsgierigheid naar de onderbouwing van een bewering een politieke misstap is geworden.
Nadat ik het privébericht openbaar had gedeeld, verschenen er reacties onder die publicatie. Sommige mensen probeerden iets inhoudelijks te zeggen, terwijl veel anderen meteen naar spot, insinuaties en beledigingen grepen. Op andere berichten zag ik afbeeldingen waarin politici, mensen met een andere huidskleur en transgender personen tot karikaturen werden teruggebracht. Er werd gelachen, gejuicht en op elkaar gereageerd alsof het vooral een wedstrijd was om de volgende vernedering. Bij zulke beelden wordt vaak een beroep gedaan op humor. Humor heeft een waardevolle plaats in een vrije samenleving, ook wanneer die scherp of ongemakkelijk is. Toch blijft de vraag wat we precies grappig vinden en wie telkens de rekening van die grap betaalt.
Het is verleidelijk om zulke uitbarstingen af te doen als het gedrag van een paar luidruchtige mensen achter een beeldscherm. Daarmee zouden we voorbijgaan aan wat zich in het openbaar afspeelt. Een belediging krijgt bijval, iemand doet er een schep bovenop en de volgende deelnemer voelt zich uitgenodigd om nog verder te gaan. Zo verschuift een grens zonder dat iemand hoeft uit te spreken dat die grens verplaatst wordt. Wie afwijkt van de groepsstemming, loopt het risico zelf het mikpunt te worden. Het onderwerp waarmee de discussie begon, verdwijnt langzaam uit beeld. Wat overblijft, is een kring van mensen die elkaar bevestigen in de overtuiging dat de ander niet serieus genomen hoeft te worden.
Ik weet heel goed dat mijn eigen woorden in zulke discussies ook scherp kunnen zijn. Wie mij al langer volgt, weet dat ik me niet voorzichtig op de vlakte houd wanneer mensen worden weggezet op grond van hun afkomst, geloof of identiteit. Ik word boos van racisme en van de achteloosheid waarmee mensen hun medemens tot probleem verklaren. Die boosheid heeft een oorsprong en een richting. Tegelijkertijd vraagt de manier waarop we haar uiten steeds opnieuw om een bewuste keuze. Een scherpe veroordeling van een opvatting is iets anders dan iemand zijn menselijkheid ontzeggen. Dat onderscheid wil ik vasthouden, juist wanneer een gesprek onaangenaam wordt.
Natuurlijk mogen mensen zich zorgen maken over de komst van een asielzoekerscentrum. Vragen over huisvesting, veiligheid, voorzieningen en bestuurlijke keuzes verdienen serieuze antwoorden. Een democratie wordt niet sterker door die zorgen weg te wuiven. Zij wordt evenmin sterker wanneer hele groepen mensen verantwoordelijk worden gehouden voor de daden van individuen of wanneer iedere tegenspraak wordt ontvangen met een scheldkanonnade. Van mening verschillen is geen teken dat een samenleving mislukt. Het vermogen om dat verschil met woorden, feiten en wederzijds respect te onderzoeken, zegt juist iets over de kwaliteit van onze samenleving.
Wat mij uiteindelijk raakt, is de achteloosheid. De snelheid waarmee iemand de ander een etiket geeft en daarmee denkt klaar te zijn. De vanzelfsprekendheid waarmee een ziekte tot scheldwoord wordt gemaakt. De manier waarop spot een plaats inneemt waar een vraag had kunnen staan. Achter ieder profiel zit een mens, ook achter het profiel van degene met wie ik het fundamenteel oneens ben. Dat besef verplicht niemand om racisme te verdragen of een kwetsende uitspraak vriendelijk te verpakken. Het vraagt wel dat we beseffen wat onze woorden doen, welke gewoonten we ermee versterken en wat we daarmee aan anderen voorleven.
Ik zal me blijven uitspreken wanneer mensen worden buitengesloten of wanneer onwaarheden als feiten worden gepresenteerd. Dat levert mij waarschijnlijk nog genoeg onaangename reacties op. Toch geloof ik dat zwijgen een hogere prijs kan hebben wanneer beledigen steeds meer de plaats van argumenteren inneemt. Want de vraag is uiteindelijk groter dan wat er in één Facebookgroep gebeurt. Wat leren we elkaar over het omgaan met tegenspraak? En welk gesprek blijft er nog mogelijk als we de ander al hebben afgeschreven voordat die is uitgesproken?