Twee kinderen verlaten aan het einde van de schooldag hetzelfde klaslokaal. Ze hebben dezelfde lessen gevolgd, dezelfde uitleg gekregen en dezelfde huiswerkopdracht in hun tas gestopt. Morgen worden ze geacht allebei hun werk af te hebben. Voor de school is de opdracht voor beide kinderen gelijk. Zodra ze naar huis gaan, verandert echter de omgeving waarin ze die opdracht moeten uitvoeren. Het ene kind kan aan een eigen bureau gaan zitten, met alle benodigde spullen binnen handbereik en een ouder die bereid is te helpen. Het andere kind moet een geschikte plek zoeken, rekening houden met de drukte in huis en zelf proberen te begrijpen wat er precies wordt gevraagd. De opdracht is gelijk, de omstandigheden waarin deze moet worden uitgevoerd zijn dat niet.
In mijn vorige blog, Eerst een thuis, dan ruimte om te groeien, stond het principe Housing First centraal. De gedachte dat mensen eerst een veilige basis nodig hebben voordat ze werkelijk ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Voor kinderen geldt hetzelfde. Een veilig thuis biedt stabiliteit, rust en de mogelijkheid om op te groeien zonder voortdurend bezig te hoeven zijn met onzekerheid. Toch betekent een veilig thuis nog niet dat ieder kind dezelfde mogelijkheden heeft. Zelfs wanneer alle kinderen in een liefdevolle en stabiele omgeving opgroeien, blijven de verschillen tussen gezinnen aanzienlijk.
Die verschillen hebben lang niet altijd met geld te maken. Natuurlijk helpt het wanneer een kind beschikt over een eigen kamer, een computer en voldoende leermiddelen. Toch is de aanwezigheid van die voorzieningen geen garantie voor goede begeleiding. Ouders kunnen lange werkdagen hebben, uitgeput thuiskomen of door persoonlijke omstandigheden weinig aandacht kunnen besteden aan het schoolwerk van hun kinderen. Andere ouders beschikken over voldoende tijd en kennis, alleen kiezen zij ervoor hun kinderen zelfstandig te laten werken. En dan zijn er ouders die niets liever zouden willen dan hun kind helpen, terwijl ze zelf onvoldoende begrijpen wat er wordt gevraagd. Het gaat uiteindelijk om een veelheid aan omstandigheden die bepalen welke ondersteuning een kind thuis krijgt.
Daarmee leggen we met huiswerk een deel van het leerproces in handen van de thuissituatie. We verwachten dat kinderen zelfstandig opdrachten uitvoeren, terwijl we weten dat de omstandigheden waarin zij dat moeten doen sterk uiteenlopen. Opmerkelijk genoeg proberen we binnen het onderwijs juist voortdurend die verschillen zo klein mogelijk te houden. We investeren in geschikte lokalen, professionele begeleiding, leermiddelen en ondersteuning voor kinderen die moeite hebben met bepaalde onderdelen van de lesstof. We vinden het belangrijk dat ieder kind toegang heeft tot goed onderwijs, ongeacht de omstandigheden waarin het opgroeit. Vervolgens geven we datzelfde kind een opdracht mee naar huis, waar de school nauwelijks invloed heeft op de mogelijkheden om die opdracht goed uit te voeren.
Dat roept bij mij een fundamentele vraag op. Waarom verplaatsen we een deel van het verplichte onderwijs naar een omgeving waarvan we weten dat de omstandigheden ongelijk zijn? Wanneer een kind zijn huiswerk niet heeft gemaakt, weten we immers onvoldoende wat daarvan de oorzaak is. Heeft het kind de uitleg niet begrepen, ontbrak de benodigde begeleiding of was er thuis eenvoudigweg onvoldoende gelegenheid om rustig te werken? Natuurlijk kan het ook zijn dat het kind onvoldoende aandacht aan de opdracht heeft besteed. Alleen vertelt het ontbreken van huiswerk ons niet automatisch welke verklaring de juiste is. Toch kan het gevolgen hebben voor de beoordeling van een kind en voor de manier waarop we naar zijn inzet en mogelijkheden kijken.
We kunnen nooit alle ongelijkheid tussen kinderen wegnemen. Ook wanneer we al het verplichte schoolwerk binnen de school organiseren, zullen kinderen thuis verschillende mogelijkheden blijven houden. Het ene kind krijgt extra uitleg van zijn ouders, terwijl een ander kind samen met zijn vader of moeder boeken leest, aanvullende oefeningen maakt of op internet nieuwe kennis opdoet. Die verschillen zullen blijven bestaan en kunnen zelfs heel waardevol zijn. Het is prachtig wanneer ouders betrokken zijn bij de ontwikkeling van hun kinderen en hen stimuleren om nieuwe dingen te ontdekken. Het onderwijs hoeft die betrokkenheid zeker niet te ontmoedigen. De vraag is alleen waarom we de ongelijke mogelijkheden thuis ook een verplicht onderdeel van het onderwijs laten worden.
We hoeven niet alle ongelijkheid te kunnen wegnemen om te stoppen met het organiseren ervan.
Dat is voor mij de kern van het vraagstuk. We weten dat kinderen thuis verschillende mogelijkheden hebben en kiezen er desondanks voor om een deel van hun verplichte schoolwerk afhankelijk te maken van die mogelijkheden. Daarmee geven we bestaande verschillen bewust invloed op het leerproces. Niet omdat iemand dat zo heeft bedoeld, wel omdat we een systeem in stand houden waarin die afhankelijkheid vanzelfsprekend is geworden. Huiswerk maakt de ongelijkheid tussen kinderen daarmee groter dan noodzakelijk hoeft te zijn.
Waarom zouden we het verplichte huiswerk daarom niet gewoon afschaffen?
Dat betekent allerminst dat kinderen minder hoeven te leren. Zelfstandig werken, oefenen, herhalen en verantwoordelijkheid leren dragen blijven belangrijke onderdelen van hun ontwikkeling. Het zijn vaardigheden die kinderen juist op school kunnen aanleren, in een omgeving waarin begeleiding beschikbaar is en waarin een leraar kan zien hoe het leerproces verloopt. Wanneer kinderen vastlopen, kan er direct worden geholpen. Wanneer een opdracht te eenvoudig blijkt, kan er verdieping worden aangeboden. En wanneer een kind moeite heeft om zelfstandig aan het werk te gaan, ontstaat de mogelijkheid om juist die zelfstandigheid verder te ontwikkelen.
Een school zonder verplicht huiswerk vraagt uiteraard om een andere organisatie van het onderwijs. Er moet voldoende tijd beschikbaar zijn om opdrachten te verwerken, te oefenen en zelfstandig te werken. Dat kan gevolgen hebben voor de indeling van de schooldag, de beschikbare ruimte en de manier waarop leraren hun begeleiding organiseren. Het is geen verandering die zonder nadenken kan worden ingevoerd. Tegelijkertijd lijkt het mij waardevol om eerst de principiële vraag te beantwoorden voordat we ons laten leiden door de praktische bezwaren. Als we vinden dat onderwijs een maatschappelijke verantwoordelijkheid is, moeten we ons ook afvragen waar die verantwoordelijkheid begint en waar we haar laten eindigen.
Kinderen zullen buiten school altijd blijven leren. Tijdens het sporten, door boeken te lezen, in gesprekken met hun ouders, door samen dingen te ondernemen en door hun eigen nieuwsgierigheid te volgen. Juist die vrijheid om buiten school eigen interesses te ontwikkelen, verdient ruimte. Een kind dat na schooltijd graag verder leert, moet daartoe alle gelegenheid krijgen. Alleen zou het niet noodzakelijk moeten zijn om thuis verplicht schoolwerk te verrichten om binnen het onderwijs goed mee te kunnen komen.
Uiteindelijk gaat deze gedachte over iets groters dan huiswerk alleen. We spreken binnen het onderwijs voortdurend over kansengelijkheid, terwijl we tegelijkertijd gewoonten in stand houden die bestaande verschillen tussen kinderen versterken. Het is begrijpelijk dat we niet iedere ongelijkheid kunnen oplossen. Gezinnen verschillen nu eenmaal, en dat zullen ze blijven doen. De verantwoordelijkheid van het onderwijs ligt dan ook niet in het gelijkmaken van gezinnen, wel in het zorgvuldig omgaan met de invloed die hun verschillen hebben op de ontwikkeling van kinderen.
Een veilig thuis geeft kinderen ruimte om te groeien. Een goede school zou vervolgens moeten proberen die ruimte voor ieder kind zo gelijkwaardig mogelijk te maken. Wanneer we dat werkelijk belangrijk vinden, mogen we ons afvragen waarom we kinderen nog altijd met dezelfde verplichte opdrachten naar huis sturen, terwijl we weten hoe verschillend hun mogelijkheden daar zijn.
Want zolang we onderwijsongelijkheid proberen te verkleinen, lijkt het mij verstandig om kritisch te blijven kijken naar de ongelijkheid die we zelf organiseren.