Eergisteren was het de Dag van de Leraar.
Ik heb hem gemist.
Best bijzonder eigenlijk. Ik werk met Uw-topia in het onderwijs, schrijf iedere week over onderwijs en juist de Dag van de Leraar ging ongemerkt aan mij voorbij. Vanmorgen hoorde ik op de radio een juf uit het primair onderwijs die een verkiezing had gewonnen. Ze vertelde dat ze was genomineerd door een kind en de ouders van dat kind. Er werd niet uitgebreid gevraagd waarom juist zij was genomineerd, wat zij precies had gedaan of welk persoonlijk verhaal daarachter zat. Eerst vond ik dat jammer. Daarna dacht ik dat het er eigenlijk helemaal niet toe doet. Een kind en de ouders hebben de behoefte gevoeld om juist háár te nomineren. Dan heb je als juf blijkbaar iets betekend.
Uiteindelijk is dat waar het in onderwijs om draait. Collega’s kunnen je een fantastische leerkracht vinden, een directeur kan tevreden over je zijn en een inspecteur kan vakjes aanvinken. Ouders kunnen eveneens van alles van je vinden. Iedere dag zit dat kind tegenover je. Dat kind moet iets leren, zich ontwikkelen, fouten mogen maken en langzaamaan zijn of haar plek in de wereld proberen te vinden. Wanneer juist zo’n kind samen met de ouders besluit dat jij erkenning verdient voor wat je doet, zegt dat eigenlijk al genoeg.
Sommige leraren verdwijnen uit je herinnering zodra je de schooldeur voor de laatste keer achter je dichttrekt. Andere blijven een leven lang bij je. Ik denk bijvoorbeeld nog regelmatig aan meneer Ooms. Ik heb eerder over hem geschreven. Hij was waarschijnlijk niet de beste leraar die ik ooit heb gehad, wel een van de liefste. Hij werd door leerlingen verschrikkelijk geplaagd, zo erg dat hij weleens tot tranen toe de klas uitliep. Ook ik heb gezien hoe hard kinderen kunnen zijn tegen iemand die eigenlijk alleen probeert zijn werk te doen.
Toch kwam meneer Ooms steeds weer terug. Hij stond klaar voor zijn leerlingen, óók voor degenen die hem hadden geplaagd. Hij wilde helpen, uitleggen en vooral het beste uit al zijn leerlingen halen. Niemand werd door hem afgeschreven omdat die leerling lastig was geweest of hem pijn had gedaan. Decennia later kan ik nog steeds ontroerd raken wanneer ik aan hem denk. Zijn didactische kwaliteiten zijn niet hetgeen waardoor hij zo nadrukkelijk in mijn herinnering is gebleven. Het is zijn menselijkheid, zijn geduld en dat voortdurende verlangen om ieder kind te helpen. Dat is uiteindelijk een vorm van leraarschap die zich moeilijk laat meten en die kennelijk een leven lang kan blijven hangen.
Een andere leraar gaf mij iets mee zonder dat ik op dat moment begreep dat ik een les kreeg. Meneer Welgraven was mijn wiskundeleraar en tijdens mijn eindexamen had ik uitgerekend dat ik aan een één genoeg had om uiteindelijk voldoende te staan. Na ongeveer twintig minuten vond ik het daarom wel mooi geweest en leverde ik mijn examen in. Meneer Welgraven begreep er niets van. “Ante, wat doe je? Zonde. Blijf nou zitten. Ga terug. Ga verder.” Ik ging toch, want ik wilde naar Bussloo, een recreatieplas vlak bij Apeldoorn waar we graag naartoe gingen.
Achteraf was dat plan tamelijk onzinnig. Mijn vrienden zaten natuurlijk nog allemaal examen te doen en volgens mij ben ik die dag niet eens meer in Bussloo terechtgekomen. Met die twintig minuten werk haalde ik een vier en uiteindelijk stond ik voor wiskunde een zeven. Op dat moment vond ik het vooral grappig. Pas later ben ik gaan begrijpen wat meneer Welgraven mij probeerde te vertellen. Waarom zou je genoegen nemen met wat voldoende is wanneer je weet dat er meer in zit? Waarom zou je stoppen zodra het doel binnen bereik is, terwijl je ook nog even kunt blijven zitten, nog een keer kunt kijken en kunt ontdekken hoeveel verder je kunt komen?
Die les ging uiteindelijk helemaal niet over wiskunde. Het ging over de houding waarmee je iets doet. Ook wanneer iets je gemakkelijk afgaat, kan het waardevol zijn om er net wat meer aandacht, tijd en inspanning in te steken. Niet omdat een zeven per definitie beter is dan een zes, wel omdat het zonde kan zijn om je eigen mogelijkheden onbenut te laten. Ik liep na twintig minuten die examenzaal uit en meneer Welgraven zag op dat moment iets wat ik zelf nog niet zag. Dat inzicht heb ik meegenomen in mijn leven.
Daar zit voor mij iets wonderlijks aan het leraarschap. Een leerkracht weet lang niet altijd welke lessen uiteindelijk blijven hangen. Het kan iets zijn wat tijdens een gewone les wordt gezegd, een boek dat wordt aangereikt, een opmerking op precies het juiste moment of de manier waarop iemand reageert wanneer een leerling zichzelf tekortdoet. Het kan zelfs de ervaring zijn van een leraar die door een klas tot tranen wordt gebracht en de volgende dag toch weer voor diezelfde leerlingen staat, vastbesloten om opnieuw het beste uit ieder van hen te halen.
Natuurlijk heb ik ook leraren gehad aan wie ik geen goede herinneringen heb. Leraren van wie ik nu nog steeds denk dat het onderwijs waarschijnlijk niet de beste plek voor hen was. Ook dat hoort bij het verhaal, want een leraar is geen heilige. Een juf of meester is een mens, met goede en slechte dagen, met talenten en tekortkomingen, met geduld en uiteindelijk ook een grens aan dat geduld. Toch staan zij iedere dag opnieuw voor een klas met vijfentwintig of dertig kinderen die allemaal iets anders nodig hebben en allemaal hun eigen karakter, thuissituatie, talenten, onzekerheden, energie en gebruiksaanwijzing meenemen. Ga er maar aan staan.
We praten veel over onderwijs. We hebben opvattingen over systemen, methodes, toetsen, inspecties, prestaties, werkdruk en passend onderwijs, en we weten vaak uitstekend te vertellen hoe het beter zou moeten. Achter al die discussies staat iedere ochtend gewoon iemand voor een klas. Een juf, een meester, een leraar of een lerares die probeert kinderen iets mee te geven waarvan pas tientallen jaren later kan blijken dat het is blijven hangen. Meneer Ooms zal waarschijnlijk nooit hebben geweten dat ik zoveel jaren later nog met ontroering aan hem zou denken. Meneer Welgraven kon onmogelijk weten dat zijn verontwaardiging over mijn vertrek uit die examenzaal uiteindelijk een levensles zou worden.
Daarom voelt één Dag van de Leraar voor mij eigenlijk als een vreemd idee. Het is goed dat die dag bestaat en dat we bewust aandacht geven aan mensen die zulk belangrijk werk doen. Tegelijkertijd verdienen zij die aandacht niet uitsluitend op 5 oktober. Iedere schooldag zit ergens een kind tegenover een leerkracht die iets zegt, doet of ziet wat dat kind jaren later nog met zich meedraagt. Waarschijnlijk heeft die leerkracht op dat moment geen idee welke betekenis dat ene gebaar, die ene opmerking of dat beetje extra aandacht uiteindelijk krijgt.
Ik weet niet waarom de juf die ik op de radio hoorde door een kind en de ouders werd genomineerd. Inmiddels hoef ik het ook niet meer te weten. Zij hebben blijkbaar ervaren dat deze juf van betekenis is geweest voor hun kind en vonden dat belangrijk genoeg om haar voor te dragen. Veel mooier kan erkenning voor een leerkracht nauwelijks worden.
Daarom liep ik eergisteren ongemerkt voorbij aan de Dag van de Leraar, terwijl ik iedere week over onderwijs schrijf. Achteraf vind ik dat eigenlijk wel passend. Want als meneer Ooms en meneer Welgraven mij iets laten zien, dan is het dat de betekenis van een leraar zich niet laat vangen in één dag waarop we onze waardering uitspreken. Die betekenis ontstaat op al die gewone dagen waarop niemand erbij stilstaat, ergens in een klaslokaal, tussen een leerkracht en een kind.