Toen ik kind was, kon ik op straat worden aangesproken door de buurman. Als ik iets deed wat niet hoorde en hij zag het, dan kreeg ik dat te horen. Daar bleef het niet noodzakelijk bij. Wanneer mijn vader later hoorde dat de buurman kwaad op mij was geworden, was de kans aanzienlijk dat ik thuis nog een keer uitleg mocht geven. De eerste vraag was niet waarom die buurman zich met mij bemoeide. De eerste vraag was wat ik had gedaan waardoor hij het nodig vond mij aan te spreken.
Ik denk daar de laatste tijd regelmatig aan wanneer het over onderwijs gaat. Niet omdat ik terugverlang naar een tijd waarin iedere volwassene automatisch gelijk had en kinderen vooral moesten luisteren. Ook toen gingen volwassenen over grenzen, werden kinderen onterecht aangesproken en kon gezag een gemakkelijke vervanger zijn voor een goed gesprek. Wat mij interesseert, is iets anders. Het is de vanzelfsprekendheid waarmee een gemeenschap zich mede verantwoordelijk voelde voor de kinderen die erin opgroeiden.
Als ik tegenwoordig een kind op straat aanspreek, is de kans aanwezig dat niet het kind later thuis ter verantwoording wordt geroepen, alleen dat een ouder mij komt vertellen dat ik zijn kind niet heb aan te spreken. Dat kind is van hem. De opvoeding dus kennelijk ook. We hebben rondom kinderen een grens getrokken die duidelijker lijkt dan vroeger. Ouders voeden hun kinderen op en anderen moeten zich daar vooral niet te veel mee bemoeien.
Tegelijkertijd gebeurt er iets merkwaardigs. Terwijl we de kring van mensen die zich met de opvoeding van een kind mogen bemoeien kleiner maken, wordt de lijst met mensen die zich beroepsmatig met diezelfde opvoeding móéten bemoeien steeds langer. Zodra we als samenleving constateren dat kinderen iets onvoldoende meekrijgen, kijken we opvallend snel in dezelfde richting: naar school.
We maken ons zorgen over de manier waarop jongeren met sociale media omgaan en verwachten mediawijsheid. We zien de invloed van technologie en voegen digitale geletterdheid toe. We vinden het belangrijk dat kinderen leren omgaan met verschillen en met de democratische rechtsstaat en vragen om burgerschapsonderwijs. We willen aandacht voor relaties, seksualiteit, gezondheid, sociale vaardigheden, mentale weerbaarheid en veiligheid. Voor ieder afzonderlijk onderwerp valt een uitstekend argument te geven waarom kinderen er iets over zouden moeten leren.
De overheid rekent burgerschap en digitale geletterdheid inmiddels tot de basisvaardigheden en het curriculum wordt vernieuwd om maatschappelijke ontwikkelingen daarin een plaats te geven. Tegelijkertijd constateert de Inspectie van het Onderwijs in De Staat van het Onderwijs 2026 dat verbetering bij taal, rekenen en burgerschap nodig blijft. In het primair onderwijs verdient het niveau van de basisvaardigheden blijvende aandacht. Een derde van de schoolleiders komt volgens de inspectie onvoldoende toe aan onderwijskundig leiderschap, onder andere door hoge werkdruk en een breed takenpakket.
Daar zit voor mij een merkwaardige tegenstelling. We vragen scholen om zich nadrukkelijker te richten op hun onderwijskundige opdracht en leggen tegelijkertijd steeds meer maatschappelijke verwachtingen bij diezelfde scholen neer. Het ministerie van Onderwijs constateerde eerder zelf al dat er veel druk bestaat om maatschappelijke thema’s aan het curriculum toe te voegen en dat bijna het dubbele aan onderwijstijd nodig zou zijn om alles te onderwijzen wat daarvoor wordt aangedragen.
Toch denk ik dat we onszelf tekortdoen wanneer we hier uitsluitend een discussie over onderwijstijd van maken. Dan ontstaat al snel de vraag wat school wel en niet moet doen, welk vak erbij moet en welk onderwerp eruit kan. De interessantere vraag ligt buiten het schoolgebouw.
Wat zijn wij zelf eigenlijk nog bereid te doen?
Een kind groeit tenslotte niet alleen op tussen half negen en drie uur. Het groeit op aan de keukentafel, op straat, bij opa en oma, bij ooms en tantes, op het voetbalveld, in de supermarkt, bij vrienden thuis en achter een telefoon. Het kijkt naar volwassenen en ontdekt zo hoe mensen met elkaar omgaan. Het hoort hoe wij spreken over iemand die anders denkt. Het ziet hoe wij reageren wanneer iemand een fout maakt. Het merkt of wij onze telefoon wegleggen wanneer iemand tegen ons praat. Het ervaart of een buurman wegkijkt wanneer iets gebeurt wat niet hoort, of juist iets zegt.
Daar vindt ook opvoeding plaats.
We kunnen van een docent vragen om kinderen mediawijs te maken. Vervolgens komen die kinderen terecht in een wereld waarin volwassenen tijdens een gesprek voortdurend hun telefoon bekijken, zonder veel nadenken berichten delen en elkaar online dingen schrijven die ze aan tafel nooit zouden zeggen. We kunnen op school lessen geven over burgerschap en respect voor andere opvattingen. Vervolgens horen kinderen thuis, op verjaardagen, langs het sportveld en online hoe volwassenen omgaan met mensen met wie zij fundamenteel van mening verschillen. We kunnen kinderen leren verantwoordelijkheid te nemen en tegelijkertijd zelf wegkijken zodra iets volgens ons formeel de verantwoordelijkheid van iemand anders is.
Kinderen leren niet alleen van wat wij hun uitleggen. Ze leren minstens zoveel van de wereld die wij hun voordoen.
Daarom vind ik die buurman uit mijn jeugd achteraf interessanter dan ik hem toen waarschijnlijk vond. Hij gaf geen burgerschapsles. Hij had geen lesprogramma sociale vaardigheden gevolgd en hij hoefde geen leerdoelen af te vinken. Hij zag een kind uit zijn omgeving iets doen waarvan hij vond dat het niet hoorde en voelde voldoende betrokkenheid om daar iets van te zeggen. Mijn vader zag dat vervolgens niet als een aantasting van zijn ouderschap. Kennelijk hoorde bij opvoeden ook dat andere mensen af en toe iets over jouw kind te zeggen hadden.
Daarmee werd opvoeden iets groters dan een particuliere aangelegenheid van twee ouders achter de voordeur.
Dat betekent niet dat we terug moeten naar een samenleving waarin iedere volwassene vrij spel heeft om andermans kinderen te corrigeren. Ouders mogen kritisch zijn wanneer iemand hun kind onheus behandelt en kinderen verdienen bescherming tegen volwassenen die hun positie verkeerd gebruiken. De vraag is alleen of we in onze begrijpelijke behoefte om grenzen te bewaken niet tegelijk iets anders hebben verloren: het idee dat een kind ook een beetje van een gemeenschap is.
Niet in de zin van bezit. Wel in de zin van verantwoordelijkheid.
Een oom die zijn neef aanspreekt op zijn gedrag voedt mee op. Een tante die werkelijk luistert wanneer haar nicht ergens mee zit, doet dat ook. Een voetbaltrainer die leert dat winnen nooit een vrijbrief is om een tegenstander te vernederen, geeft meer dan sportles. Een buurvrouw die vraagt waarom een jongen al dagen alleen buiten zit, bemoeit zich in de beste betekenis van het woord met een ander. Een werkgever die een zestienjarige vakkenvuller leert hoe je met klanten en collega’s omgaat, draagt eveneens iets over wat geen schoolboek volledig kan onderwijzen.
Wanneer al die mensen zich terugtrekken omdat opvoeding uitsluitend iets van ouders zou zijn, blijven uiteindelijk vooral de instituties over. En zodra ouders iets niet kunnen bieden, om welke reden dan ook, kijken we vervolgens naar de plek waar vrijwel ieder kind nog wél komt.
De school.
Dat maakt de maatschappelijke opdracht van onderwijs ook begrijpelijk. Je kunt niet eenvoudig zeggen dat mediawijsheid thuis hoort wanneer je weet dat niet ieder kind thuis dezelfde begeleiding krijgt. Je kunt burgerschap niet volledig aan gezinnen overlaten wanneer onderwijs juist ook bedoeld is om kinderen kennis te laten maken met een wereld die groter is dan hun eigen gezin. School kan kinderen kansen geven die hun afkomst of omgeving hun niet vanzelfsprekend biedt. Juist daarom is goed onderwijs zo belangrijk.
Alleen ontslaat dat de rest van ons niet van onze verantwoordelijkheid.
We lijken opvoeding steeds persoonlijker te hebben gemaakt en verwachten tegelijkertijd dat school steeds meer collectief opvoedt. Daar zit voor mij de werkelijke spanning. Niet in de vraag of een les over sociale media nuttig is. Natuurlijk kan die nuttig zijn. Niet in de vraag of burgerschap thuishoort op school. School is bij uitstek een plek waar kinderen leren samenleven met anderen. De vraag is wat zo’n les waard is wanneer de samenleving buiten het lokaal besluit dat zij zelf niet meer hoeft mee te doen.
Een leraar kan vertellen wat respect betekent. Wij moeten het laten zien.
Een school kan uitleggen hoe democratie werkt. Wij laten dagelijks zien hoe we omgaan met verschil van mening.
Een docent kan een gesprek voeren over gezond gedrag, verantwoordelijkheid, seksualiteit, sociale omgang of de digitale wereld. De betekenis daarvan ontstaat ook in de duizenden kleine momenten daarbuiten, wanneer kinderen kijken naar volwassenen en langzaam ontdekken wat onze woorden in de praktijk waard zijn.
Daarom denk ik dat de oplossing voor een school die steeds meer moet niet uitsluitend binnen het onderwijs gevonden kan worden. We kunnen eindeloos praten over kerndoelen, lesuren, programma’s en verantwoordelijkheden. Uiteindelijk begint een deel van het antwoord op straat, aan tafel, bij de sportvereniging en in de buurt.
Bij volwassenen die opnieuw durven denken: dit is niet mijn kind en toch gaat het mij aan.
Niet omdat we de plaats van ouders willen innemen of omdat de buurman opnieuw het laatste woord moet krijgen. Maart eenvoudig omdat opgroeien nooit uitsluitend een zaak tussen een kind, zijn ouders en een school kan zijn. Een samenleving die wil dat kinderen leren samenleven, zal zelf ook een gemeenschap moeten vormen waarin mensen verantwoordelijkheid voor elkaar durven dragen.
School hoeft dan niet minder belangrijk te worden. School krijgt juist de ruimte om goed te zijn in wat alleen school kan bieden, terwijl wij daarbuiten opnieuw doen wat geen curriculum ooit volledig kan overnemen. Een kind opvoeden vraagt ouders. Een kind onderwijzen vraagt professionals. Een kind laten opgroeien tot iemand die zijn plaats tussen andere mensen kan vinden, vraagt uiteindelijk iets van ons allemaal.
De vraag is dus niet alleen wat wij nog van school mogen verwachten.
De vraag is hoeveel wij weer van onszelf durven verwachten.