Tijdens een preek van broeder Niki Mannot bleef één zin bij mij hangen: “Oordelen is beoordelen met een verkeerde maatstaf.” Het is zo’n zin die eenvoudig klinkt wanneer je hem voor het eerst hoort en vervolgens steeds groter wordt wanneer je er langer over nadenkt. Zeker wanneer je hem meeneemt vanuit de kerk naar een wereld waarin beoordelen een bijna dagelijkse bezigheid is. Wie leidinggeeft, onderneemt of mensen aanneemt, moet beoordelen. Je beoordeelt een sollicitant, een medewerker, een leverancier, een voorstel of een mogelijke samenwerking. Je probeert informatie te verzamelen, luistert naar wat iemand zegt en neemt uiteindelijk een besluit. De vraag is dus niet of we mogen beoordelen. De veel interessantere vraag is welke maatstaf we daarbij gebruiken.
Niki gebruikte tijdens zijn preek het voorbeeld van een sollicitant in een winkel. Stel dat iemand solliciteert en inhoudelijk aan alles voldoet. De juiste ervaring, voldoende kennis, een passende houding en alle andere eigenschappen die voor de functie belangrijk zijn. Tijdens het gesprek blijkt alleen dat deze sollicitant zichtbaar veel tatoeages heeft. Wat doe je dan als manager? Die vraag lijkt eenvoudig totdat je probeert te ontdekken waar je eerste antwoord vandaan komt. Je kunt vinden dat zoveel tatoeages niet representatief zijn. Je kunt je afvragen wat klanten ervan zullen vinden. Je kunt zelfs het gevoel krijgen dat deze persoon daardoor minder goed bij jouw winkel past. Alleen ontstaat dan een andere vraag: weet je werkelijk wat jouw klanten ervan vinden, of projecteer je jouw eigen oordeel op hen? Precies daar begon die ene zin voor mij betekenis te krijgen: oordelen is beoordelen met een verkeerde maatstaf.
Beoordelen hoort bij verantwoordelijkheid
Het christelijk geloof wordt rond dit onderwerp geregeld teruggebracht tot de uitspraak dat je niet mag oordelen. Wie alleen die gedachte vasthoudt, komt in het dagelijks leven al snel in de problemen. We beoordelen namelijk voortdurend en dat is ook noodzakelijk. Paulus schrijft daar opvallend duidelijk over in 1 Korintiërs 14. Wanneer mensen spreken, schrijft hij in vers 29, moeten anderen luisteren en beoordelen wat er wordt gezegd. Kritisch luisteren en onderscheiden worden daar niet afgewezen. Ze horen juist bij verantwoordelijkheid.
Dat herken ik ook in ondernemerschap en leiderschap. Wanneer iemand bij mij solliciteert, kan ik niet eenvoudig zeggen dat ik geen oordeel wil vormen. Ik heb juist de verantwoordelijkheid om te onderzoeken of iemand geschikt is. Wanneer een medewerker iets doet wat gevolgen heeft voor anderen, moet ik daar iets van vinden. Wanneer ik een leverancier kies, moet ik kwaliteit, betrouwbaarheid en voorwaarden tegen elkaar afwegen. Beoordelen is daarmee niet het probleem. De maatstaf kan dat wel zijn, en daarmee komen we terug bij de sollicitant. Wanneer de functie vraagt om bepaalde kennis en hij bezit die kennis, kan ik dat beoordelen. Wanneer klantvriendelijkheid belangrijk is, kan ik tijdens het gesprek proberen te ontdekken hoe iemand met mensen omgaat. Wanneer betrouwbaarheid noodzakelijk is, kan ik naar ervaring en referenties kijken. Dan kijk ik naar zaken die verband houden met de functie. Zodra ik naar de tatoeages kijk en daaruit conclusies trek over zijn karakter, betrouwbaarheid of omgang met klanten, gebruik ik iets wat ik zie om iets in te vullen wat ik niet weet.
De maat waarmee je meet
Daar raakt het zakelijke vraagstuk voor mij rechtstreeks aan Matteüs 7. Jezus spreekt daar over oordelen en gebruikt vervolgens een formulering die in deze context bijzonder relevant wordt: “Met de maat waarmee u meet, zal er bij u gemeten worden.” Dat beeld van een maat vind ik fascinerend, omdat iedere zakelijke beslissing uiteindelijk een maat kent. We noemen die alleen anders. We spreken over een functieprofiel, selectiecriteria, competenties, targets, voorwaarden, rendement of klanttevredenheid. We proberen vooraf vast te stellen waaraan iets of iemand moet voldoen, zodat we vervolgens een zo zorgvuldig mogelijke keuze kunnen maken.
Alleen nemen we in zo’n beoordeling ook onze eigen maatstaven mee. Onze opvoeding, ervaringen, voorkeuren en overtuigingen reizen ongemerkt met ons mee wanneer we tegenover iemand zitten. Ook eerdere teleurstellingen doen dat. Wanneer een bepaald type medewerker mij ooit problemen heeft bezorgd, kan die ervaring jaren later ineens meewegen bij iemand die daar uiterlijk of in gedrag op lijkt. Wanneer ik ben opgegroeid met een bepaald beeld van wat professioneel is, kan ik dat beeld als vanzelfsprekend beschouwen. Dan lijkt mijn oordeel objectief, terwijl een deel ervan iets over mijzelf vertelt.
Bij de sollicitant met tatoeages wordt dat heel concreet. Als ik denk dat mijn klanten daar moeite mee zullen hebben, moet ik mijzelf eigenlijk nog een vraag stellen: hebben mijn klanten daar moeite mee, of heb ik dat? Het antwoord kan zelfs zijn dat klanten er daadwerkelijk moeite mee hebben. Ook dan is het gesprek nog niet afgelopen, want vervolgens moet ik bepalen welke betekenis ik daaraan geef en hoe relevant dat voor de functie is. Geloof ontslaat mij niet van die zakelijke afweging. Het nodigt mij juist uit zorgvuldiger te kijken naar de grond waarop ik haar maak.
Wat ik niet kan zien
Paulus voegt in 1 Korintiërs 4 nog iets toe wat voor mij bij leiderschap minstens zo belangrijk is. Hij schrijft daar over het oordeel en waarschuwt ervoor vooruit te lopen op wat uiteindelijk aan God toekomt. Hij spreekt over wat verborgen is en over de bedoelingen van het hart. Dat raakt aan een grens die we zakelijk gemakkelijk overschrijden, omdat ik gedrag kan zien, woorden kan horen, prestaties kan meten en afspraken kan vastleggen om vervolgens te constateren of iemand ze nakomt. Wat ik veel minder goed kan, is het innerlijk van een ander kennen.
Toch doen we dat ongemerkt geregeld. Iemand komt te laat en we noemen hem ongemotiveerd. Iemand zegt weinig tijdens een vergadering en we denken dat zij weinig betrokken is. Een sollicitant kijkt ons nauwelijks aan en we zien onzekerheid of desinteresse. Iemand heeft een accent, draagt bepaalde kleding of zit onder de tatoeages en voordat het gesprek goed op gang is gekomen, heeft ons hoofd al een verhaal geschreven. Dat verhaal kan kloppen en het kan volledig verkeerd zijn. Daar helpt die gedachte uit de preek mij opnieuw, omdat beoordelen vraagt dat ik kijk naar wat relevant en waarneembaar is, terwijl oordelen begint wanneer ik mijn eigen maatstaf gebruik om de ontbrekende stukken van een ander mens in te vullen.
Geloof aan de vergadertafel
Ik vind het interessant om geloof juist op dit soort momenten niet achter te laten bij de kerkdeur. Niet omdat de Bijbel mij voor iedere zakelijke beslissing een kant-en-klaar antwoord geeft, want zo werkt het leven voor mij niet. Een Bijbeltekst vertelt mij niet welke sollicitant ik moet aannemen of met welke leverancier ik morgen een contract moet tekenen. Het geloof kan mij wel helpen onderzoeken hoe ik tot zo’n beslissing kom, en dat vind ik uiteindelijk veel waardevoller.
Een goede beslissing bestaat namelijk niet alleen uit de uitkomst. Ook de weg ernaartoe doet ertoe. Heb ik werkelijk geluisterd? Heb ik beoordeeld wat relevant was? Heb ik feiten en aannames uit elkaar gehouden? Heb ik mijn eigen voorkeur aangezien voor een objectieve norm? Heb ik iemand beoordeeld op wat hij deed en kon, of heb ik vanuit een paar zichtbare kenmerken besloten wie hij volgens mij was? Die vragen horen voor mij net zo goed bij leiderschap als omzet, strategie en resultaat. Sterker nog, juist wanneer je verantwoordelijkheid draagt voor mensen worden ze belangrijker. Een beslissing die voor een manager één gesprek in een volle agenda is, kan voor degene tegenover hem bepalend zijn voor een volgende stap in zijn leven.
Daarom vraagt beoordelen om zorgvuldigheid, zonder dat dit hoeft te leiden tot besluiteloosheid of het wegdrukken van ieder persoonlijk gevoel. Gevoelens kunnen waardevolle signalen zijn. Ze verdienen alleen niet automatisch de status van waarheid. Juist daar kan geloof iets toevoegen aan zakelijk leiderschap: het nodigt uit om niet alleen degene tegenover je te onderzoeken, ook de maatstaf waarmee je zelf naar die persoon kijkt verdient onderzoek.
De sollicitant tegenover mij
Ik weet niet wat ik zou denken wanneer die sollicitant morgen werkelijk tegenover mij zou zitten. Waarschijnlijk zou ik, net als ieder ander mens, in de eerste seconden al van alles waarnemen en daar onbewust betekenis aan geven. Dat mechanisme verdwijnt niet doordat ik een preek heb gehoord. Wat wel kan veranderen, is wat ik vervolgens met die eerste indruk doe. Ik kan haar als waarheid behandelen en mijn verdere gesprek gebruiken om bevestiging te zoeken, of ik kan haar herkennen als mijn eerste reactie en daarna teruggaan naar de vraag waarvoor we eigenlijk tegenover elkaar zitten.
Dan wil ik weten of deze persoon het werk kan, hoe hij met klanten omgaat, welke ervaring hij meebrengt, hoe hij reageert wanneer iets misgaat, of hij kan samenwerken en of zijn manier van werken past bij wat deze functie vraagt. Dat zijn vragen waarop een sollicitant antwoord kan geven. De betekenis van zijn tatoeages vertelt mij vooral iets wanneer ik er zelf betekenis aan toevoeg. En ineens gaat het voorbeeld niet meer over tatoeages, want hetzelfde gebeurt met leeftijd, afkomst, kleding, opleiding, accent, karakter, geloof, een gat in een cv en tientallen andere kenmerken waarmee wij mensen bewust en onbewust langs onze eigen meetlat leggen.
Daarmee wordt de vraag uit die preek voor mij een zakelijke vraag die ik vaker wil meenemen naar gesprekken en beslissingen. Niet vanuit de gedachte dat ik voortaan niets meer mag beoordelen, want juist verantwoordelijkheid vraagt dat ik keuzes durf te maken. De vraag die eraan voorafgaat is belangrijker: met welke maat ben ik eigenlijk aan het meten?
Leidinggeven vraagt dat we keuzes maken en verantwoordelijkheid nemen voor de gevolgen daarvan. Geloof neemt die verantwoordelijkheid niet uit onze handen. Het leert mij wel om, voordat ik kies, nog één keer naar de meetlat in mijn eigen handen te kijken en mij af te vragen of die werkelijk meet wat ik denk dat hij meet. Voor mij zit daar het verschil tussen zorgvuldig beoordelen en oordelen: niet alleen kijken naar de mens die tegenover mij zit, ook eerlijk durven kijken naar de maat waarmee ík hem meet.