Inclusief onderwijs begint met taal die iedereen begrijpt

Wanneer je als RT’er een gesprek hebt met de IB’er om in het kader van de PDCA-cyclus het IHP van de HB’er in de groep te bespreken, dan kan het zijn dat het IHP uiteindelijk een OPP gaat worden. Vervolgens nodig je ouders uit voor een MDO of ZBO, waarbij natuurlijk ook het OKT aanhaakt. Vanuit de HGW-structuur kan blijken dat het SWV moet aansluiten in het OT, waarna uiteindelijk een TLV kan worden afgegeven voor het SO of SBO.

…………… Bent u er nog?

Ik kwam deze woorden tegen in een filmpje (van de “nadebelpodcast” Dikke aanrader trouwens) over het onderwijs. De man die ze uitspreekt, doet dat met een vanzelfsprekendheid die het fragment zo grappig maakt. Hij richt zich vervolgens tot twee mensen uit het onderwijs en zegt dat zij ongetwijfeld precies weten waar hij het over heeft. Daarna vraagt hij welke afkorting zij zelf vaak gebruiken. Het antwoord komt snel: OMG. (Oh my God). Ik moest erom lachen en tegelijk bleef het fragment bij mij hangen, juist omdat ik veel nadenk en schrijf over inclusief onderwijs. Over een onderwijsomgeving waarin ieder kind een plek heeft, waarin verschillen niet onmiddellijk leiden tot afzondering en waarin leerlingen, ouders en professionals samen verantwoordelijkheid dragen voor ontwikkeling.

Vanuit die gedachte vind ik de taal die wij gebruiken veel belangrijker dan zij op het eerste gezicht lijkt. Wie werkelijk wil dat mensen deelnemen, moet ervoor zorgen dat mensen kunnen begrijpen waarover gesproken wordt. Dat klinkt vanzelfsprekend, totdat je kijkt naar de taal die rondom een kind kan ontstaan zodra extra ondersteuning nodig is.

Inclusief onderwijs begint bij inclusieve taal.

Een ouder komt naar school omdat er vragen of zorgen zijn rond zijn of haar kind. Aan tafel zitten professionals die elkaar kennen, dezelfde systemen gebruiken en dagelijks werken met begrippen die voor hen volkomen normaal zijn. Tijdens het gesprek gaat het over een OPP, een MDO, het SWV en mogelijk een TLV. Voor de professionals is dat vertrouwde taal en dus kan het gesprek moeiteloos verdergaan. De ouder zit daar alleen niet als onderwijsprofessional. Die zit daar als vader of moeder en luistert naar een gesprek over zijn of haar eigen kind. Juist daarom vind ik het wezenlijk dat die ouder niet alleen aanwezig is, ook werkelijk begrijpt wat er wordt gezegd.

We kunnen ouders formeel uitnodigen voor een gesprek, documenten toesturen, hun mening vragen en hen laten aanschuiven bij overleg. Daarmee hebben we nog geen gelijkwaardigheid georganiseerd. Gelijkwaardigheid ontstaat wanneer iemand begrijpt wat wordt besproken, vragen kan stellen, argumenten kan wegen en invloed kan uitoefenen op beslissingen die worden genomen. Taal bepaalt daardoor voor een belangrijk deel of iemand werkelijk aan tafel zit of alleen fysiek op een stoel aanwezig is.

Ik ervaar dat zelf ook binnen de MR en GMR waarin ik zitting heb. Juist daar zitten mensen met verschillende achtergronden bewust bij elkaar aan tafel.  Onderwijspersoneel brengt zijn professionele kennis en ervaring mee, ouders kijken vanuit een andere positie naar dezelfde school en binnen de medezeggenschap worden die perspectieven geacht elkaar te ontmoeten. Toch gebeurt het meer dan eens dat onderwijsprofessionals tijdens zo’n vergadering met elkaar in gesprek raken en moeiteloos overschakelen op hun eigen onderwijstaal. Afkortingen en begrippen volgen elkaar op alsof iedereen aan tafel daar dagelijks mee werkt. Voor de mensen uit het onderwijs is dat volkomen logisch, terwijl ik geregeld merk dat ik eerst moet achterhalen waar het gesprek eigenlijk over gaat.

Dat vind ik juist binnen medezeggenschap opvallend. Een MR of GMR bestaat immers omdat verschillende stemmen invloed moeten kunnen uitoefenen op het beleid van een school of organisatie. Wanneer een deel van de aanwezigen de taal van dat beleid veel beter beheerst dan een ander deel, ontstaat ongemerkt een verschil in uitgangspositie. Je kunt formeel dezelfde stem hebben en tegelijkertijd inhoudelijk op achterstand staan doordat je eerst de gebruikte taal moet ontcijferen. Werkelijke medezeggenschap vraagt daarom meer dan mensen een stoel, stukken en stemrecht geven. Het vraagt ook dat het gesprek toegankelijk is voor iedereen die geacht wordt eraan deel te nemen.

Hetzelfde geldt voor leerlingen. In het onderwijs spreken we steeds nadrukkelijker over hun stem en hun hoorrecht. Bij het ontwikkelingsperspectief moet worden vastgelegd hoe de mening van de leerling is meegenomen. Dat vind ik een belangrijke ontwikkeling, omdat een leerling geen dossier is waar professionals over spreken. Het is een mens over wiens ontwikkeling, mogelijkheden en toekomst wordt gesproken. Wanneer we die leerling werkelijk een stem willen geven, hoort daar vanzelfsprekend taal bij die hij of zij kan begrijpen. Horen wat een leerling vindt, heeft weinig betekenis wanneer die leerling nauwelijks begrijpt waarover een mening wordt gevraagd.

Daar raakt een grappig filmpje voor mij ineens aan een veel groter vraagstuk. Inclusie gaat niet uitsluitend over de vraag in welk gebouw een kind onderwijs krijgt. Het gaat ook over de manier waarop we onze systemen organiseren, hoe we naar kinderen kijken, hoe professionals samenwerken en hoe toegankelijk we de wereld rondom onderwijs maken voor de mensen om wie het uiteindelijk draait. Wie inclusie uitsluitend beschouwt als een organisatorisch vraagstuk rond regulier en speciaal onderwijs, mist daarmee een belangrijk deel van wat inclusie in het dagelijks leven betekent.

Vaktaal heeft daarin vanzelfsprekend een functie. Een intern begeleider hoeft bij een collega niet iedere keer volledig uit te leggen wat een ontwikkelingsperspectief is. Professionals ontwikkelen binnen ieder vakgebied woorden en afkortingen waarmee zij snel en precies kunnen communiceren. Artsen doen dat, juristen doen dat, ICT’ers doen dat en mensen in het onderwijs doen dat eveneens. Daar is op zichzelf weinig mis mee. De verantwoordelijkheid verandert zodra iemand aanschuift die die professionele taal niet dagelijks spreekt. Vanaf dat moment is begrijpelijke taal geen versimpeling van het gesprek, het is een vorm van respect voor degene die eraan deelneemt.

Dat geldt des te sterker wanneer we van ouders verwachten dat zij meedenken over ondersteuning of keuzes moeten maken waarvan de gevolgen groot kunnen zijn. Een toelaatbaarheidsverklaring is voor een professional een TLV. Voor ouders kunnen diezelfde drie letters onderdeel zijn van een proces waarin wordt besproken of hun kind naar het speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs gaat. Achter drie letters kan voor een professional een bekende procedure liggen, terwijl achter diezelfde drie letters voor ouders een wereld van vragen, onzekerheid en beslissingen over hun kind schuilgaat. Wie zich daarvan bewust is, kan niet volstaan met de constatering dat de afkorting nu eenmaal gebruikelijk is binnen het onderwijs.

Daarom gaat dit voor mij niet over het afschaffen van afkortingen. Het gaat over het bewustzijn dat we nodig hebben om te weten wanneer we met vakgenoten spreken en wanneer we spreken met mensen voor wie onze dagelijkse taal een vreemde taal is geworden. Kennis kan namelijk ook een vorm van macht zijn. Wie de woorden kent, begrijpt sneller wat gebeurt, weet eerder welke vragen gesteld kunnen worden en herkent beter welke keuzes op tafel liggen. Wie die woorden niet kent, begint het gesprek onmiddellijk met een achterstand. Dat past niet bij mijn beeld van inclusief onderwijs, waarin gelijkwaardigheid juist vraagt dat we proberen zulke verschillen zo klein mogelijk te maken.

Inclusief onderwijs vraagt daarom dat we voortdurend kijken naar drempels die deelname bemoeilijken. Zo’n drempel hoeft geen trap te zijn waar een rolstoel niet overheen kan. Een drempel kan ook bestaan uit vijftien afkortingen in een gesprek waarin iemand geacht wordt volwaardig mee te denken. Dat maakt taal niet tot het grootste probleem van inclusief onderwijs, wel tot een onderdeel dat we verrassend eenvoudig zelf kunnen beïnvloeden. We hoeven geen systeemwijziging af te wachten om morgen tegen een ouder gewoon te zeggen wat we bedoelen.

Wanneer een ouder na een gesprek naar huis rijdt en eerst op internet moet zoeken wat de helft van de gebruikte afkortingen betekende, hebben we iets laten liggen. Wanneer een leerling wordt gehoord zonder werkelijk te begrijpen waarover hij of zij wordt gehoord, geldt hetzelfde. Wanneer een oudervertegenwoordiger tijdens een MR- of GMR-vergadering eerst de taal van onderwijsprofessionals moet ontcijferen voordat hij inhoudelijk kan meepraten, gebeurt feitelijk hetzelfde. En wanneer wij dat normaal zijn gaan vinden omdat iedereen binnen onze eigen professionele kring de taal begrijpt, zegt dat vooral iets over hoe gemakkelijk een systeem zijn eigen taal als vanzelfsprekend gaat beschouwen.

Het filmpje waarmee deze gedachte begon, eindigt gelukkig veel luchtiger. Na een stortvloed aan onderwijsafkortingen wordt aan de twee docenten gevraagd welke afkorting zij zelf vaak gebruiken. Hun antwoord heeft geen uitleg, ondersteuningsplan of multidisciplinair overleg nodig.

OMG!!

Die mogen we wat mij betreft onthouden. Niet als volgende toevoeging aan het woordenboek van het onderwijs, wel als kleine herinnering dat inclusief onderwijs uiteindelijk ook begint bij iets heel eenvoudigs: elkaar kunnen verstaan.

Voor wie wil weten wat die man eigenlijk zegt

Mocht je na het lezen willen weten wat de man uit het filmpje nu werkelijk zegt: de gebruikte afkortingen zijn geen verzonnen lettercombinaties. Het zijn termen die daadwerkelijk binnen het onderwijs en de ondersteuning rond leerlingen worden gebruikt. De precieze benaming of toepassing kan per school, regio of samenwerkingsverband verschillen.

  • RT’er staat voor remedial teacher
  • IB’er voor intern begeleider
  • PDCA voor Plan, Do, Check, Act
  • IHP voor individueel handelingsplan
  • HB verwijst (in deze context) naar hoogbegaafdheid
  • OPP naar ontwikkelingsperspectief(plan)
  • MDO naar multidisciplinair overleg
  • ZBO naar zorgbreedteoverleg
  • OKT naar Ouder- en Kindteam
  • HGW naar handelingsgericht werken
  • SWV naar samenwerkingsverband
  • OT naar ondersteuningsteam
  • TLV naar toelaatbaarheidsverklaring
  • SO naar speciaal onderwijs
  • SBO naar speciaal basisonderwijs

En wanneer we vervolgens de hele openingszin ontdoen van de afkortingen en proberen te zeggen wat er feitelijk wordt bedoeld, wordt het ongeveer dit, vrijwel even lang, maar wel begrijpelijk:

Een specialist bespreekt samen met de intern begeleider welke begeleiding een leerling nodig heeft. Wanneer blijkt dat de bestaande begeleiding niet voldoende is, kan een uitgebreider plan voor de ontwikkeling en ondersteuning van de leerling worden opgesteld. Ouders en betrokken professionals worden bij het overleg betrokken en ook de leerling krijgt een stem. Wanneer aanvullende ondersteuning nodig blijkt, kan het samenwerkingsverband aansluiten. Uiteindelijk kan worden besloten een verklaring aan te vragen waarmee de leerling toegang kan krijgen tot speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs.

En ineens kunnen we allemaal weer meepraten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.