We lopen door Uw-topia op een gewone dinsdagochtend. In een wijk waar de bomen inmiddels hoger zijn dan veel huizen staat een gebouw dat moeilijk in één woord te omschrijven is. Kinderen komen met fietsen aan, verderop drinkt een groep ouderen koffie en aan de andere kant wordt een ruimte klaargemaakt voor een activiteit die pas vanavond begint. Een deel van het gebouw oogt nieuw, een ander deel draagt zichtbaar de sporen van tientallen jaren gebruik. Wie hier voor het eerst komt, zou kunnen vragen wat dit eigenlijk voor gebouw is. Wie hier woont, begrijpt die vraag nauwelijks.
Ooit begon deze plek als school. Of beter gezegd: onderwijs was de eerste grote gebruiker. Sindsdien groeide het gebouw, kromp het weer, veranderden ruimtes van functie en kwamen functies terug waarvan niemand bij de bouw had kunnen voorspellen dat ze ooit nodig zouden zijn. Een deel van de oorspronkelijke constructie staat er nog steeds. Kinderen lopen over dezelfde plek waar hun grootouders ooit leerden lezen, terwijl achter een gevel die pas veel later werd toegevoegd opnieuw onderwijs wordt gegeven aan een generatie die bij de eerste tekeningen nog vele decennia van haar geboorte verwijderd was.
Wie langer naar het gebouw kijkt, ontdekt dat het iets doet wat gebouwen volgens ons taalgebruik helemaal niet kunnen. Het ademt. Wanneer de wijk jonger wordt en het aantal kinderen groeit, zet het zich uit. Wanneer diezelfde kinderen volwassen worden en de behoefte aan onderwijs afneemt, trekt het weer samen. Ruimtes veranderen van functie, delen worden toegevoegd en andere delen verdwijnen. Zoals longen niet alleen gemaakt zijn om zich met lucht te vullen, is dit gebouw niet alleen ontworpen om te groeien. Het kan ook uitademen.
In Uw-topia weten we namelijk één ding zeker over de toekomst: zij blijft niet zoals het heden.
Toen deze wijk werd gebouwd, kwamen er vooral jonge gezinnen wonen. Kinderwagens verschenen op de stoepen, kleine fietsen stonden tegen gevels en binnen enkele jaren groeide de behoefte aan kinderopvang en onderwijs snel. Het gebouw ademde mee. Er kwamen ruimtes bij die vanaf het begin zo waren ontworpen dat ze ooit ook weer konden verdwijnen. Verbindingen waren losmaakbaar, materialen konden opnieuw worden gebruikt en niemand deed alsof iedere vierkante meter die aan het onderwijs werd toegevoegd voor eeuwig onderwijsruimte zou blijven.
Dat bleek jaren later belangrijk. De kinderen werden ouder en verlieten de school. Een deel vertrok uiteindelijk ook uit de wijk, terwijl hun ouders er bleven wonen. Het aantal basisschoolleerlingen daalde en tegelijkertijd veranderden de behoeften van de buurt. Waar ooit lokalen nodig waren, ontstond behoefte aan ontmoeting, maatschappelijke ondersteuning, werkruimte en voorzieningen voor een ouder wordende bevolking. Het gebouw hoefde daardoor niet gered te worden van leegstand. Het ademde eenvoudig uit.
Dat uitademen was geen verlies. Daar zit een gedachte achter die we bij gebouwen nauwelijks gewend zijn. We beschouwen groei gemakkelijk als vooruitgang en krimp als een probleem dat moet worden opgelost. Toch kijkt niemand naar longen die tijdens het uitademen kleiner worden en concludeert dat het lichaam achteruitgaat. Het kleiner worden hoort bij de ademhaling. Zonder uitademen ontstaat geen ruimte voor een volgende ademteug. Waarom zouden we gebouwen dan ontwerpen alsof alleen groei een teken van succes is?
Een vleugel kreeg een andere functie. Een ander gedeelte werd kleiner gemaakt en materialen die daar vrijkwamen werden elders opnieuw gebruikt. Ruimtes die ooit voor kinderen waren ontworpen kregen andere gebruikers. Jaren later kwamen jonge gezinnen terug naar de wijk en groeide de behoefte aan onderwijs opnieuw. Het gebouw kon weer dieper ademhalen, juist doordat het nooit was ontworpen rond de gedachte dat één vorm voor altijd behouden moest blijven.
Daarmee krijgt circulariteit in Uw-topia een betekenis die verder gaat dan hergebruikte materialen, energiezuinigheid en zonnepanelen op het dak. Die zaken blijven belangrijk, alleen begint duurzaamheid hier bij de vraag hoe lang een gebouw werkelijk bruikbaar kan blijven. Een gebouw dat technisch zestig jaar overeind kan staan en na vijfentwintig jaar functioneel zijn betekenis verliest, heeft een belangrijk deel van zijn mogelijke levensduur verloren. Daarom laten we niet alleen materialen circuleren. Ook functies krijgen de ruimte om te bewegen.
Een wand staat ergens zolang die wand iets toevoegt. Een ruimte is geen klaslokaal voor de rest van zijn bestaan doordat op een bouwtekening ooit het woord ‘klaslokaal’ is geschreven. Vandaag kan er onderwijs worden gegeven, over twintig jaar kan dezelfde ruimte een atelier of ontmoetingsplek zijn en nog later kan onderwijs terugkeren. Een uitbreiding wordt niet uitsluitend ontworpen met de vraag hoe zij aan het bestaande gebouw kan worden vastgemaakt. Vanaf het begin denken we ook na over hoe zij ooit weer losgemaakt kan worden en wat er daarna met de materialen gebeurt.
Zoals een lichaam gedurende een mensenleven verandert en toch hetzelfde lichaam blijft, kan ook een gebouw veranderen zonder zijn identiteit te verliezen. Niet iedere steen hoeft te blijven liggen om dezelfde plek te blijven bestaan. Het zijn de herinneringen, het gebruik en de betekenis voor de omgeving die continuïteit geven. Daardoor kan een gebouw delen verliezen, nieuwe delen krijgen en verschillende levensfasen doormaken zonder telkens opnieuw te hoeven beginnen.
Toch betekent die veranderlijkheid niet dat onderwijs genoegen moet nemen met een gebouw dat overal een beetje en uiteindelijk nergens werkelijk geschikt voor is. Wanneer onderwijs hier plaatsvindt, moet het gebouw dat onderwijs juist zo goed mogelijk ondersteunen. Een school met een sterk klassikale onderwijsvisie vraagt andere ruimtes dan een school die veel met projecten werkt. Een visie waarin rust, overzicht en herkenbare groepen belangrijk zijn stelt andere eisen aan de omgeving dan onderwijs waarin groepen voortdurend veranderen. De ene school zoekt ateliers en praktijkruimtes, de andere kleine instructieplekken, grote gezamenlijke ruimtes of een sterke verbinding tussen binnen en buiten.
Het gebouw kiest die onderwijsvisie niet. Het draagt haar.
Dat betekent dat het gebouw mee moet kunnen bewegen wanneer die visie verandert. Een schoolgebouw kan tientallen jaren meegaan en geen enkele architect die vandaag een school tekent kan weten hoe mensen daar in 2076 willen leren en werken. Daarom ondersteunt het gebouw het onderwijs van vandaag zonder het onderwijs van morgen onmogelijk te maken. De fysieke omgeving wordt daarmee onderdeel van de onderwijsvisie en niet uitsluitend de plaats waar die visie toevallig wordt uitgevoerd.
Zo ademt het gebouw op verschillende snelheden. Gedurende één dag kan een ruimte verschillende functies krijgen. In enkele jaren kunnen leerlingenaantallen stijgen of dalen. In tien of twintig jaar kan een school haar onderwijsvisie aanpassen. In dertig jaar kan de bevolking van een wijk een totaal andere samenstelling hebben. Het gebouw hoeft geen van die ontwikkelingen precies te voorspellen. Het moet vooral voldoende bewegingsruimte bewaren om niet door keuzes uit het verleden gevangen te raken.
Wanneer we verder door Uw-topia lopen, zien we dat die ademhaling niet bij de schooldeur stopt. Het gebouw hoort bij de wijk en de wijk beweegt door het gebouw. Overdag heeft onderwijs er een belangrijke plaats, later op de dag verschuift het gebruik. Een keuken waarin kinderen hebben gewerkt wordt ’s avonds gebruikt door mensen uit de buurt. In een andere ruimte komt een vereniging bijeen. De sportvoorziening blijft in gebruik wanneer de schooldag voorbij is en in de centrale ruimte wordt een buurtbijeenkomst voorbereid. Niet iedere ruimte hoeft altijd toegankelijk te zijn en verschillende gebruikers stellen hun eigen eisen aan veiligheid en beheer. Het uitgangspunt blijft dat ruimte die met maatschappelijke middelen is gebouwd zoveel mogelijk maatschappelijke betekenis kan krijgen.
Juist een school heeft daarin een bijzondere positie. Het is een van de plekken waar mensen uit een wijk elkaar tegenkomen zonder elkaar bewust te hebben uitgekozen. Ouders met verschillende beroepen, achtergronden, leeftijden en overtuigingen staan bij hetzelfde schoolplein. Grootouders halen kinderen op. Kinderen raken bevriend en verbinden daarmee gezinnen die elkaar anders nooit hadden leren kennen. Medewerkers, verenigingen en buurtbewoners bewegen door dezelfde omgeving. Langzaam ontstaat een hartslag die niet uit het gebouw zelf komt, alleen uit de mensen die erdoorheen bewegen.
Sociale cohesie laat zich moeilijk ontwerpen. We kunnen wel plekken ontwerpen waar zij de kans krijgt om te ontstaan. Een bank waarop iemand kan blijven zitten nadat een kind naar binnen is gegaan. Een keuken waarin verschillende generaties elkaar ontmoeten. Een sportzaal die ook ’s avonds licht uitstraalt. Een tuin die niet ophoudt van betekenis te zijn zodra de schoolbel heeft geklonken. Het zijn kleine fysieke voorwaarden waardoor mensen elkaar vaker tegenkomen en een gebouw onderdeel kan worden van het dagelijks leven van een wijk.
Ook buiten de muren leeft die gedachte verder. Het schoolplein eindigt niet vanzelfsprekend bij een hoog hek dat na schooltijd wordt afgesloten. Waar veiligheid dat toelaat, loopt de buitenruimte over in de wijk. Groen geeft schaduw aan kinderen en buurtbewoners, bomen groeien mee met generaties en water wordt opgevangen op plekken waar tegelijkertijd gespeeld kan worden. Een moestuin kan tijdens schooluren onderdeel zijn van onderwijs en later door anderen worden verzorgd. Dezelfde vierkante meters krijgen gedurende een dag, een jaar en uiteindelijk een mensenleven verschillende betekenissen.
Een vrouw die hier als kind tot de eerste leerlingen behoorde, loopt inmiddels op leeftijd opnieuw door het gebouw. Ze herkent de plek waar ooit haar klas stond, al ziet die er totaal anders uit. Een vleugel waarin zij vroeger vriendinnen had is jaren geleden verdwenen en delen ervan zijn elders opnieuw gebruikt. De centrale ruimte waar zij ooit een viering bijwoonde is veranderd en wordt nog steeds gebruikt wanneer mensen uit de wijk samenkomen. Aan de andere kant is juist weer ruimte toegevoegd voor onderwijs, doordat de wijk na jaren van vergrijzing opnieuw jonge gezinnen aantrekt.
Het gebouw van haar jeugd bestaat daardoor tegelijk wel en niet meer. De stenen zijn veranderd, functies zijn verschoven en generaties hebben hun eigen sporen achtergelaten. Wat gebleven is, is de relatie met de omgeving. Het hoorde bij de gemeenschap toen zij kind was, het bleef erbij horen toen haar generatie ouder werd en het draagt opnieuw onderwijs nu kleine fietsen weer tegen de gevel staan.
Daar ligt voor mij een andere manier van denken over schoolhuisvesting. We hoeven niet te proberen het perfecte schoolgebouw voor de komende zestig jaar te bedenken. Perfectie zou veronderstellen dat wij vandaag al weten wat mensen over zestig jaar nodig hebben. Die kennis hebben we niet. Wat we wel kunnen doen, is gebouwen maken die toekomstige generaties voldoende ruimte geven om hun eigen antwoorden te vinden.
In Uw-topia bouwen we daarom geen school die langzaam veroudert zodra de wereld rondom haar verandert. We bouwen een plek die met het onderwijs meeleeft, met de wijk meebeweegt en zorgvuldig omgaat met alles waaruit zij is opgebouwd. Een plek die kan groeien wanneer dat nodig is en weer kleiner kan worden wanneer de omgeving daarom vraagt, zonder dat iedere verandering meteen verbouwing, leegstand of sloop betekent.
Wanneer we aan het einde van onze wandeling nog één keer omkijken, zien we hetzelfde gebouw als aan het begin. Kinderen komen en gaan, ouderen zitten met elkaar aan tafel en ergens wordt een ruimte klaargemaakt voor vanavond. Alleen kijken we er inmiddels anders naar.
Het gebouw leeft niet doordat het nooit verandert. Het leeft doordat het kan blijven ademhalen.