Het begon met iets kleins. Een verjaardagsbericht op Facebook, onder een post van Joël de Witte. Ik schreef: “Het is je verjaardag. Doe een wens!” Het was bedoeld als een licht grapje, een knipoog, maar als ik eerlijk ben zat er waarschijnlijk ook iets onder. Een tijdje terug had Joël in de kerk iets gedeeld over een verlangen dat hem dit jaar bezighoudt, iets wat hem zichtbaar raakt en waar hij met een soort stille vastberadenheid naartoe leeft. Hij vertelde er niet groots of breed over, eerder tussen de regels door, maar juist daardoor bleef het hangen. Misschien kwam dat onbewust samen in dat ene zinnetje.
Zijn reactie was: “heel leuk dit.” En ik merkte dat ik die woorden anders las dan een gewone beleefdheid. Alsof er een kleine glimlach onder zat, een gedeeld weten misschien, iets tussen ons in dat niet uitgesproken hoefde te worden. Niet omdat het geheimzinnig moest zijn, maar omdat sommige wensen juist hun kracht krijgen doordat ze even niet hardop hoeven.
Later schreef hij: “Wensen/verlangens maken het leven mooi.” Zo’n zin die je eigenlijk meteen begrijpt, maar die tegelijk vragen oproept zodra je hem serieus neemt. Want klopt dat eigenlijk wel? Maken wensen het leven mooi? Of laten ze juist zien dat er iets ontbreekt?
Een wens gaat immers altijd over iets wat er nog niet is. Je verlangt naar iets dat je mist, naar een situatie die anders is dan nu. Dat lijkt haaks te staan op tevredenheid. We zeggen zo vaak dat je moet leren leven met wat je hebt, dankbaar moet zijn voor het hier en nu, moet stoppen met steeds ergens anders willen zijn. In dat licht voelt verlangen bijna als een vorm van onvrede, als een stil protest tegen het leven zoals het is. Alsof je zegt: dit is niet genoeg, er moet meer zijn.
Maar hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik voelde dat daar ook iets niet klopt. Want ik ken genoeg momenten in mijn eigen leven waarop ik oprecht tevreden was met wat er was, met de mensen om me heen, met de plek waar ik stond, en tegelijk verlangde naar iets wat nog niet bestond. Niet omdat het huidige tekortschiet, maar omdat er een beweging in mij zat. Omdat ik ergens naartoe wilde groeien, iets wilde ontwikkelen, een volgende laag wilde aanraken. Dat verlangen voelde niet als ontevredenheid, maar als levendigheid.
Misschien zit het verschil in waar het verlangen vandaan komt. Als een wens voortkomt uit het idee dat je pas goed genoeg bent als je iets bereikt, dat je pas gelukkig mag zijn als een gemis is opgevuld, dan wordt verlangen inderdaad een bron van onrust. Dan leef je steeds in de toekomst, steeds in wat er nog niet is, en wordt het heden een soort wachtkamer. Maar als verlangen voortkomt uit nieuwsgierigheid, uit betrokkenheid bij het leven, uit een innerlijk weten dat er meer te ontdekken is, dan wordt het iets heel anders. Dan is het geen oordeel over wat ontbreekt, maar een richtingaanwijzer.
In die zin zijn wensen misschien geen tekens van gemis, maar van oriëntatie. Ze zeggen niet: mijn leven is niet goed genoeg, maar: dit is waar mijn hart naartoe wijst. Zoals een wandelaar tevreden kan zijn met de plek waar hij nu staat, en toch weet dat hij verder wil lopen, niet omdat de huidige plek slecht is, maar omdat onderweg zijn nu eenmaal is wat bij hem hoort.
Misschien maken wensen en verlangens het leven mooi juist omdat ze ons in beweging houden. Omdat ze ons een toekomst geven waarin we onszelf herkennen. Omdat ze het leven niet reduceren tot wat er al is, maar openen naar wat mogelijk is. En misschien kunnen ze heel goed bestaan naast dankbaarheid, naast het diepe besef dat wat er nu is al waardevol is, zonder dat die twee elkaar hoeven uit te sluiten.
Als Joël schreef dat wensen en verlangens het leven mooi maken, dan bedoelde hij misschien precies dat: niet dat ze gaten vullen, maar dat ze betekenis geven. Dat ze ons helpen voelen dat we niet vastzitten in het heden, maar onderweg zijn naar iets wat, hoe vaag soms ook, resoneert met wie we zijn.
En misschien is dat wel een van de mooiste vormen van mens-zijn: tevreden zijn met wat er is, en toch blijven verlangen naar wat je nog kunt worden.