Een bericht van JA21 trok mijn aandacht. Bovenaan stond in grote letters dat een motie was aangenomen. Het ging om de motie van Eerdmans over een landelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties. Mijn eerste reactie was eigenlijk vrij eenvoudig: wat is hier precies mis mee? De volledige motie is terug te vinden als motie-Eerdmans c.s., zaaknummer 2026Z19117, documentnummer 2026D44196.
Want ik heb er weinig moeite mee als iemand die tijdens een demonstratie stenen naar de politie gooit, vernielingen aanricht of andere mensen bedreigt, zich niet achter een bivakmuts kan verschuilen om herkenning en vervolging te voorkomen. Wie geweld gebruikt of vernielt, moet kunnen worden aangepakt en identificatie hoort daarbij.
Toen ik verder ging lezen, veranderde de vraag.
De motie gaat namelijk niet over een verbod op gezichtsbedekking tijdens het plegen van strafbare feiten. Zij vraagt om een landelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties, met een beperkt en wettelijk vastgelegd aantal uitzonderingen. De motie kreeg een meerderheid door steun van JA21, PVV, VVD, BBB, CDA, ChristenUnie, SGP, 50PLUS, Groep Markuszower en het lid Keijzer. Tegen stemden PRO, D66, DENK, FVD, Partij voor de Dieren, SP en Volt.
Daarmee ligt er een meerderheid in de Tweede Kamer voor deze motie. Dat is iets anders dan zeggen dat de Tweede Kamer als geheel dit verbod wil. De steun komt voor een belangrijk deel van partijen aan de rechterzijde van het politieke spectrum, aangevuld met partijen uit het politieke midden. Juist doordat ik naar die politieke verdeling keek, wilde ik weten waar de discussie werkelijk over ging.
Want het verschil blijkt wezenlijk.
De ene gedachte is dat iemand die tijdens een demonstratie geweld gebruikt zich niet onherkenbaar moet kunnen maken. De andere gedachte is dat iemand die deelneemt aan een demonstratie in beginsel herkenbaar moet zijn.
In de eerste situatie richt de overheid zich op gedrag. In de tweede situatie stelt de overheid een voorwaarde aan iedereen die gebruikmaakt van het demonstratierecht.
Dat verschil verdwijnt gemakkelijk wanneer we alleen een afbeelding zien van een gemaskerde relschopper.
Wie staat er achter het masker?
We hebben waarschijnlijk allemaal ongeveer hetzelfde beeld bij gezichtsbedekking tijdens een demonstratie. Een bivakmuts, donkere kleding, een groep die zich losmaakt van een vreedzame demonstratie, waarna stenen vliegen of vernielingen worden aangericht. Het is een beeld dat we kennen uit nieuwsuitzendingen en sociale media, en precies daardoor ligt de gedachte voor de hand dat gezichtsbedekking iets is wat vooral mensen gebruiken die niet herkend willen worden omdat ze iets van plan zijn wat niet mag.
Alleen kan iemand heel andere redenen hebben om tijdens een demonstratie onherkenbaar te willen blijven.
Iemand kan tegen zijn werkgever demonstreren en vrezen voor zijn baan. Een ander kan zich uitspreken tegen een religieuze gemeenschap waarin zijn familie een belangrijke plaats inneemt. Iemand kan demonstreren voor lhbti-rechten zonder tegenover zijn omgeving open te zijn over zijn eigen geaardheid. Een Iraanse, Russische of Chinese Nederlander kan zich uitspreken tegen het regime in het land van herkomst en zich zorgen maken over familieleden die daar nog wonen. Weer iemand anders demonstreert tegen een extremistische beweging en wil voorkomen dat zijn gezicht vervolgens wordt verspreid in online groepen van precies de mensen tegen wie hij demonstreert.
En tussen al die mensen kan ook iemand staan die zijn gezicht bedekt omdat hij straks een steen wil gooien.
Aan de buitenkant zien we hetzelfde masker. Achter dat masker kunnen totaal verschillende verhalen bestaan.
Juist daarin zit voor mij de kern.
Wanneer vrijheid toestemming nodig heeft
De indieners hebben een deel van dit probleem zelf onderkend. De motie verlangt dat er uitzonderingen komen, onder andere wanneer een demonstrant een aantoonbaar veiligheidsrisico loopt door mogelijke represailles van een buitenlands regime.
Dat klinkt redelijk en zorgvuldig. Tegelijkertijd staat er iets bij wat minstens zo belangrijk is: de uitzonderingen moeten beperkt en limitatief in de wet worden omschreven. De wetgever bepaalt dus vooraf welke redenen zwaar genoeg zijn om je gezicht te mogen bedekken.
Daarmee verandert er iets fundamenteels.
Nu begint het denken bij het demonstratierecht. Een burger mag zich uitspreken en de overheid moet goede redenen hebben wanneer zij dat recht wil beperken. Bij een algemeen verbod op gezichtsbedekking begint het denken ergens anders. Je gezicht moet zichtbaar zijn, tenzij jouw persoonlijke reden binnen een uitzondering valt die de overheid vooraf heeft erkend.
Op papier lijkt dat een juridisch detail. In het leven van iemand die daadwerkelijk wil demonstreren kan het een groot verschil zijn.
Want wie bepaalt vooraf welke angst gerechtvaardigd is?
Een buitenlands regime staat expliciet genoemd. Hoe zit het met een werkgever, een gewelddadige ex-partner, familieleden, een religieuze gemeenschap, een extremistische organisatie of een online netwerk dat mensen intimideert? En wat betekent herkenbaarheid in een tijd waarin een foto jarenlang online kan blijven rondzwerven en jaren later opnieuw kan opduiken?
Een wetgever kan proberen zulke situaties zorgvuldig te beschrijven. Het leven heeft alleen de vervelende eigenschap dat het zich zelden volledig laat vangen in een lijst met uitzonderingen.
Vrijheid bestaat ook uit anonimiteit
Dat brengt mij bij een bredere vraag over vrijheid.
Wanneer wij over vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht spreken, denken we vaak aan de mogelijkheid om ergens te mogen staan en iets te mogen zeggen. Alleen bestaat vrijheid uit meer dan juridische toestemming.
Je moet die vrijheid ook daadwerkelijk durven gebruiken.
Voor iemand die zonder gevolgen met zijn gezicht op televisie kan verschijnen, betekent demonstreren iets anders dan voor iemand die weet dat herkenning gevolgen kan hebben voor zijn werk, familie of veiligheid. De wet kan tegen beide mensen zeggen dat zij vrij zijn om te demonstreren, terwijl die vrijheid in hun dagelijks leven heel verschillend voelt.
Juist het demonstratierecht is bedoeld voor momenten waarop mensen zich tegenover macht uitspreken. Dat kan de overheid zijn, een werkgever, een religieuze gemeenschap, een buitenlandse regering, een maatschappelijke organisatie of een groep mensen die veel invloed heeft op jouw leven.
Dan vind ik het belangrijk dat we voorzichtig zijn met de gedachte dat iemand die gebruikmaakt van dat grondrecht zich eerst herkenbaar moet maken.
Pak het gedrag aan
Daarmee kom ik terug bij mijn eerste reactie op het bericht van JA21, want die reactie is eigenlijk niet verdwenen.
Ik wil nog steeds dat iemand die tijdens een demonstratie stenen gooit kan worden geïdentificeerd. Ik vind nog steeds dat iemand die geweld gebruikt, bedreigt of vernielt zich niet eenvoudig achter anonimiteit moet kunnen verschuilen.
Geweld is strafbaar, net als vernieling, bedreiging en mishandeling. Wanneer iemand tijdens een demonstratie die grens overgaat, hoort de overheid te kunnen optreden.
Daarom blijft voor mij een andere vraag over: waarom maken we niet het gedrag tot uitgangspunt?
Wanneer iemand geweld gebruikt en daarbij bewust zijn identiteit verbergt om herkenning en vervolging te bemoeilijken, ligt het voor de hand dat daar consequenties aan worden verbonden. Dan richt een maatregel zich op degene die de grens overschrijdt.
Een algemeen verbod kiest een andere route. Het stelt eerst een regel voor iedereen vast en maakt daarna uitzonderingen voor degenen die kunnen uitleggen waarom die regel voor hen niet zou moeten gelden.
Dat lijkt een klein verschil. Vanuit het perspectief van een grondrecht is het groot.
Mijn eerste reactie bleek te eenvoudig
Dat vind ik uiteindelijk het interessante aan deze motie. Mijn eerste gedachte was dat een verbod op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties eigenlijk heel redelijk klonk. In mijn hoofd zag ik de relschopper die onherkenbaar een steen gooit en daarna tussen honderden mensen verdwijnt.
Toen ik langer nadacht, verscheen naast hem iemand anders.
Iemand met hetzelfde bedekte gezicht die geen steen gooit, niemand bedreigt, niets vernielt en geen agent aanvalt. Iemand die daar alleen staat omdat hij iets wil zeggen wat hij belangrijk vindt en goede redenen heeft om niet te willen dat zijn gezicht morgen overal terug te vinden is.
Vanaf dat moment kan ik die twee mensen niet meer als één probleem zien.
De ene persoon moet worden aangesproken op wat hij doet. De andere persoon maakt gebruik van een grondrecht.
Het masker vertelt mij niet wie van de twee voor mij staat.
En precies daarom zou wetgeving wat mij betreft moeten beginnen bij het gedrag van een mens en niet bij het vermoeden dat achter een bedekt gezicht iets verkeerds zal zitten.
Want de vrijheid om te demonstreren krijgt juist betekenis wanneer iemand iets durft te zeggen terwijl spreken gevolgen kan hebben. Wie op zo’n moment vreedzaam gebruikmaakt van een grondrecht, zou niet eerst hoeven te bewijzen waarom hij liever niet wordt herkend.