Tellen de uren voor twaalf echt dubbel?

Laatst vertelde iemand uit de kerk mij iets wat ik volgens mij al vaker in mijn leven heb gehoord. De uren die je voor twaalf uur ’s nachts slaapt, zouden dubbel tellen. Ga je om elf uur naar bed en word je om vijf uur wakker, dan heb je zes uur werkelijk geslapen. Volgens die gedachte telt het uur tussen elf en twaalf dubbel en zou je lichaam dus zeven uur slaap hebben gekregen. Ga je om tien uur naar bed en sta je om vier uur op, dan heb je opnieuw zes uur werkelijk geslapen. Nu liggen twee van die uren vóór middernacht en kom je volgens dezelfde rekensom uit op acht uur slaap.

Het klinkt aantrekkelijk. Zeker voor iemand die vroeg wakker wordt en zichzelf graag wil overtuigen dat zes uur slaap eigenlijk best voldoende is.

Toch bleef ik erover nadenken. Want waarom zou ons lichaam zich iets aantrekken van twaalf uur? Middernacht is uiteindelijk een afspraak die wij als mensen hebben gemaakt. Onze biologische klok kent geen wijzerplaat die om 23.59 uur nog een bonus uitdeelt en om 00.01 uur besluit dat een uur voortaan gewoon weer zestig minuten waard is.

Daarmee ontstond een aardige MythBuster.

Een uur slaap voor twaalf uur telt namelijk helemaal niet dubbel. Wie van tien uur ’s avonds tot vier uur ’s ochtends slaapt, heeft zes uur geslapen. Wie van twaalf tot zes slaapt eveneens zes uur. De klok verandert daar niets aan.

Toch vind ik het te eenvoudig om zo’n oude volkswijsheid vervolgens als onzin weg te zetten. Veel van die verhalen ontstaan ergens. Mensen observeren hun leven, geven ervaringen aan elkaar door en uiteindelijk blijft een zin bestaan terwijl de wereld waarin die zin ontstond langzaam uit beeld verdwijnt.

Ik kan mij goed voorstellen hoe dat hier gebeurd zou kunnen zijn.

In een samenleving waarin mensen veel eerder naar bed gingen dan wij tegenwoordig gewend zijn, begon de nacht voor velen rond negen of tien uur. Wie om tien uur ging slapen, had rond middernacht zijn eerste slaapcycli al grotendeels doorgemaakt. En juist daar gebeurt iets interessants.

Onze slaap is geen acht uur durende toestand waarin voortdurend hetzelfde gebeurt. Gedurende een nacht bewegen we door verschillende slaapstadia. Volgens het Amerikaanse National Heart, Lung, and Blood Institute doorlopen we gewoonlijk vier tot zes slaapcycli, waarbij een cyclus ongeveer tachtig tot honderd minuten duurt. Een belangrijk onderdeel daarvan is de diepe N3-slaap, ook wel slow-wave sleep genoemd. Daarvan krijgen we relatief veel in het eerste gedeelte van onze slaap. Later neemt het aandeel REM-slaap toe.

En ineens klinkt die oude wijsheid een stuk minder vreemd.

Wie vroeger om tien uur naar bed ging, beleefde zijn diepe slaap voor een belangrijk deel vóór en rond middernacht. Mensen hoefden geen hersenactiviteit te meten om te ervaren dat die eerste uren van hun slaap anders waren. Uit zo’n waarneming kan gemakkelijk het idee ontstaan dat de slaap voor twaalf uur bijzonder waardevol is. Vervolgens gaat zo’n gedachte van generatie op generatie en wordt waardevolle slaap uiteindelijk slaap die zelfs dubbel zou tellen.

Of het gezegde historisch werkelijk op deze manier is ontstaan, weet ik niet. Ik vind het wel een aannemelijke gedachte. Het laat vooral zien hoe een volkswijsheid een kern kan bevatten die gaandeweg een andere betekenis krijgt.

Want de wetenschap bevestigt een belangrijk deel van de waarneming. Diepe slaap bevindt zich vooral in het eerste deel van onze slaapperiode. Onderzoek naar slaaparchitectuur laat zien dat N3-slaap vooral in de eerste slaapcycli voorkomt en gedurende de nacht afneemt, terwijl perioden met REM-slaap juist langer worden naarmate de slaap vordert.

Het belangrijke woord daarin is alleen niet nacht.

Het is slaapperiode.

Wie om tien uur ’s avonds in slaap valt, krijgt die diepe slaap inderdaad voor een belangrijk deel vroeg op de avond. Wie pas om één uur ’s nachts gaat slapen, begint zijn eerste slaapcycli drie uur later. Ook dat lichaam beweegt na het inslapen richting de diepere slaapstadia. Middernacht vormt daarin geen biologische grens.

Daarmee verandert ook de vraag die we onszelf zouden moeten stellen. Niet hoeveel uren we vóór twaalf uur hebben kunnen verzamelen, wel hoeveel ruimte we ons lichaam geven om zijn volledige slaap door te maken.

Want ook het idee dat vooral diepe slaap telt, doet geen recht aan wat er gedurende een nacht gebeurt. De tweede helft van onze slaap is geen soort toegift nadat het echte herstelwerk al is verricht. Juist later in de slaap neemt REM-slaap toe. Bij gezonde volwassenen wordt REM in de latere cycli steeds prominenter en bevindt een groot deel ervan zich in het laatste deel van de slaapperiode.

Wanneer we structureel vroeg wakker worden na een korte nacht, hebben we dus niet eenvoudigweg het belangrijkste deel binnen en kunnen we de rest zonder gevolgen laten liggen. We onderbreken een proces dat gedurende de hele slaap van karakter verandert.

Daar zit voor mij ook iets interessants in over de manier waarop wij met oude wijsheden omgaan. We hoeven ze niet onmiddellijk weg te lachen zodra de letterlijke betekenis wetenschappelijk niet blijkt te kloppen. Het kan veel interessanter zijn om te onderzoeken welke observatie er ooit onder heeft gelegen.

We leven in een tijd waarin we graag precies willen weten wat waar en onwaar is. We zoeken een onderzoek, leggen een uitspraak ernaast en zetten er vervolgens een vinkje of een kruisje achter. Dat helpt ons om feiten van verzinsels te onderscheiden, terwijl we daarmee ook iets kunnen verliezen wanneer we vergeten te vragen waarom mensen zo’n gedachte ooit zijn gaan doorgeven. Een volkswijsheid hoeft wetenschappelijk niet te kloppen om iets te vertellen over wat mensen generaties lang hebben waargenomen.

Dat vind ik eigenlijk het aardige aan deze slaapmythe. De rekensom kunnen we zonder veel moeite wegstrepen, terwijl de waarneming die eronder zou kunnen liggen verrassend dicht bij onze huidige kennis over slaap komt. Mensen konden niet meten hoeveel N3-slaap zij kregen en wisten niets van REM-slaap of slaaparchitectuur. Ze konden wel ervaren dat een nacht waarin ze vroeg naar bed gingen anders voelde dan een korte of onderbroken nacht.

De mensen die zeiden dat de uren voor twaalf uur zo belangrijk waren, hadden geen slaaplaboratorium nodig om te merken dat vroeg naar bed gaan hun goed kon doen. Ze beschikten alleen niet over de kennis waarmee we tegenwoordig kunnen zien wat er tijdens die uren werkelijk gebeurt.

Wij hebben die kennis inmiddels wel.

Daardoor kunnen we de klok van de mythe loslaten en de gedachte erachter behouden. De eerste uren van onze slaap zijn bijzonder vanwege de opbouw van onze slaapcycli. De latere uren zijn eveneens bijzonder, alleen om andere redenen. Een gezonde nacht bestaat juist uit die opeenvolging.

Misschien is dat uiteindelijk een mooiere gedachte dan het oorspronkelijke rekensommetje. Ons lichaam rekent geen uren dubbel. Het gebruikt ieder deel van onze slaap op zijn eigen manier.

Zes uur blijft zes uur.

En een uur hoeft niet dubbel te tellen om waardevol te zijn.

Bronnen en verdere verdieping

National Heart, Lung, and Blood Institute (NHLBI), How Sleep Works – Sleep Phases and Stages. Uitleg over NREM- en REM-slaap, slaapcycli en de verdeling van slaapstadia gedurende de nacht.
https://www.nhlbi.nih.gov/health/sleep/stages-of-sleep

National Center for Biotechnology Information (NCBI), Sleep Physiology. Achtergrond over de fysiologie en architectuur van slaap, waaronder de verdeling van slow-wave sleep en REM-slaap gedurende de slaapperiode.
https://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/NBK19956/

National Center for Biotechnology Information / PubMed Central, Physiology of Sleep. Wetenschappelijke achtergrond over slaapstadia, slaaparchitectuur en de veranderingen in NREM- en REM-slaap gedurende de nacht.
https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC4246141/

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.