Gisteravond zette ik voor het slapen nog wat muziek aan. Spotify op een timer van een half uur, het volume zacht genoeg om langzaam weg te zakken en tegelijk hard genoeg om de muziek nog werkelijk te horen. Een beetje meeneuriën, gedachten laten afdwalen, muziek die steeds minder iets wordt waarnaar je bewust luistert en steeds meer onderdeel wordt van de ruimte waarin je in slaap valt. Vanmorgen werd ik wakker, bleef nog wat in bed liggen en zette diezelfde muziek opnieuw aan. Het volume stond nog precies zoals ik het de avond ervoor had achtergelaten. Mijn eerste gedachte was vrijwel onmiddellijk dat het veel te zacht stond. Ik kon het nauwelijks horen.
Mijn hand had naar de volumeknop kunnen gaan. Dat zou de meest logische reactie zijn geweest. De muziek is te zacht, dus zet je haar harder. Alleen deed ik dat niet. Ik bleef liggen en liet de muziek spelen. Na vijf of tien minuten realiseerde ik mij ineens dat ik alles hoorde. De stemmen, de instrumenten, de details in de muziek, alles was terug. Spotify had niets veranderd. Het volume stond nog altijd op exact dezelfde stand. De kamer was dezelfde kamer en de muziek was dezelfde muziek. Mijn waarneming was veranderd. Mijn gehoor had zich aangepast aan het zachte geluid en wat enkele minuten eerder te zacht leek, bleek ineens precies goed.
Dat kleine moment bleef bij me hangen, omdat mijn eerste gedachte niet was geweest dat ik de muziek op dat moment te zacht vond. Mijn gedachte was dat de muziek te zacht stond. Dat verschil lijkt klein, terwijl er een wereld tussen zit. In het eerste geval vertel ik iets over mijn eigen waarneming, in het tweede geval maak ik van mijn waarneming een eigenschap van de werkelijkheid om mij heen. Vervolgens ligt de oplossing voor de hand: als de werkelijkheid niet goed is, moet ik haar veranderen.
Terwijl ik daarover nadacht, moest ik aan mijn hikes in Noorwegen denken. Wanneer ik daar aan een tocht begin, start ik onvermijdelijk in de bewoonde wereld. Ook in Noorwegen zijn wegen, huizen, auto’s en mensen. Je trekt je rugzak aan en begint te lopen, waarna die wereld langzaam achter je verdwijnt. De huizen worden minder, wegen worden paden en op een gegeven moment loop je in een landschap waarin nauwelijks nog iets door mensen voor mensen is ingericht. De wereld houdt daar geen rekening met mijn wensen. Een berg wordt niet minder steil omdat mijn benen moe zijn en regen wacht niet totdat ik mijn tent heb opgezet.
Tijdens die overgang gebeurt er ook iets met mij. In het begin neem ik de gewone wereld nog mee. Mijn tempo, mijn planning en het gevoel dat ik ergens naartoe moet. Naarmate ik verder de natuur in loop, verandert dat. Als het gaat regenen, trek ik regenkleding aan. Als het kouder wordt, voeg ik een laag toe en als de zon doorbreekt, gaat die laag weer uit. Wanneer mijn lichaam moe wordt, loop ik langzamer. Wanneer ik energie heb, gaat het tempo vanzelf omhoog. Ik kan een plan hebben voor de afstand die ik die dag wil afleggen, terwijl de omstandigheden uiteindelijk mede bepalen waar ik uitkom. Langzaam ontstaat een ritme waarin ik niet langer probeer de omgeving passend te maken voor mijn dag. Mijn dag gaat passen bij de omgeving waarin ik mij bevind.
Opvallend genoeg ervaar ik juist daar een enorm gevoel van vrijheid. Dat lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig. In ons gewone leven verbinden we vrijheid vaak met de mogelijkheden die we hebben om zelf te bepalen hoe onze omgeving eruitziet. We regelen de temperatuur in huis, bepalen waar en wanneer we ergens naartoe gaan, kiezen wat we eten, zetten het licht aan wanneer het donker wordt en zetten muziek harder wanneer we haar te zacht vinden. Hoe meer mogelijkheden we hebben om onze omgeving naar onze wensen te vormen, hoe groter onze vrijheid lijkt.
Toch kan juist daarin een vorm van dwang ontstaan. Zodra mijn gevoel van vrijheid en plezier afhankelijk wordt van mijn vermogen om mijn omgeving naar mijn wensen te vormen, moet ik die omgeving voortdurend blijven vormen. Ik moet regelen, ik moet corrigeren, ik moet sturen, ik moet aanpassen. Zodra iets verandert, moet ik opnieuw ingrijpen om de omstandigheden terug te brengen naar wat voor mij prettig is. De mogelijkheid om iets te kunnen veranderen, verandert ongemerkt in de noodzaak om iets te moeten veranderen.
Dat is geen vrijheid. Dat is dwang.
Tijdens een hike in Noorwegen verdwijnt een groot deel van die dwang vanzelf. De gedachte dat ik alles kan bepalen, houdt daar eenvoudig geen stand. Het weer laat zich niet regelen, het landschap evenmin en ook mijn lichaam heeft een eigen stem. Mijn vrijheid blijkt daar geen controle over de omstandigheden nodig te hebben. Ik hoef de regen niet te stoppen om verder te kunnen. Ik hoef de temperatuur niet te veranderen om mij prettig te voelen. Ik hoef de berg niet minder steil te maken om hem over te kunnen. Ik beweeg binnen wat zich aandient en voel steeds beter wat de omgeving op dat moment vraagt en wat ik zelf nodig heb om daarin verder te gaan.
Naarmate ik langer onderweg ben, verandert daardoor mijn verhouding tot het landschap. In het begin loop ik door een omgeving die nog los van mij voelt. Later word ik er steeds meer onderdeel van. Regen is dan geen verstoring van mijn dag. Het regent gewoon. Bij kou trek ik iets aan. Vermoeidheid verandert mijn tempo. Mijn lichaam en mijn omgeving bepalen samen het ritme waarin ik mij voortbeweeg. De werkelijkheid hoeft niet voortdurend anders te worden voordat ik mij erin kan bewegen.
Daar zit voor mij een andere betekenis van vrijheid. Controle vraagt dat de omgeving met mij meebeweegt. Vrijheid ontstaat wanneer ik weet dat ik met een veranderende omgeving mee kan bewegen. Mijn vrijheid zit dan niet in de garantie dat de omstandigheden blijven zoals ik ze graag heb. Ze zit in het vertrouwen dat ik kan blijven bewegen zodra de omstandigheden veranderen.
Ons vermogen om onze omgeving te veranderen heeft ons ongelooflijk veel gebracht. We kunnen omstandigheden beïnvloeden, keuzes maken en grenzen stellen. Dat hoort bij vrijheid. Tegelijkertijd ontstaat er een grens wanneer de mogelijkheid om iets te veranderen verandert in het gevoel dat iets móét veranderen voordat het goed kan zijn. Op dat moment krijgt controle de vorm van een voorwaarde. De wereld moet eerst voldoen aan mijn wensen voordat ik mij vrij kan voelen, waardoor ik mijzelf de voortdurende opdracht geef om die wereld in de gewenste toestand te houden.
Vanmorgen lag die grens ergens bij een volumeknop. Ik hoorde de muziek nauwelijks en had alles tot mijn beschikking om dat onmiddellijk op te lossen. Eén beweging en de wereld om mij heen zou weer voldoen aan wat ik op dat moment prettig vond. Ik bleef liggen, liet de muziek spelen en ergens in die paar minuten gebeurde in het klein wat tijdens mijn hikes over uren en dagen gebeurt. De omgeving bleef hetzelfde en mijn verhouding tot die omgeving veranderde.
De muziek hoefde niet harder. Ik ging anders luisteren.
Daarin zit voor mij een bevrijdende gedachte. Er ontstaat ruimte zodra niet alles om mij heen hoeft te veranderen voordat ik mij er prettig in kan voelen. Mijn vrijheid bestaat uit wat ik kan beïnvloeden én uit wat ik niet hoef te beïnvloeden. Dat tweede deel krijgt gemakkelijk minder aandacht, terwijl daar juist een enorme vrijheid in verborgen ligt. Iets kunnen veranderen geeft mogelijkheden. Iets niet hoeven veranderen haalt een verplichting weg.
Op een berg in Noorwegen kan ik het weer niet veranderen en voel ik mij vrij. Vanmorgen kon ik met één druk op de knop de muziek veranderen en ontdekte ik dat ik die knop niet nodig had. Twee totaal verschillende momenten raken uiteindelijk hetzelfde gevoel.
Vrijheid is voor mij steeds minder het vermogen om de wereld om mij heen zo te krijgen als ik haar hebben wil. Ze zit veel meer in het vertrouwen dat ik mee kan bewegen wanneer die wereld verandert. Dan hoef ik niet voortdurend te regelen, te corrigeren en te sturen om mij vrij te voelen. De omgeving mag bewegen en ik mag meebewegen.
En heel af en toe ontdek je dat de wereld zelfs helemaal niet veranderd is.
Je bent alleen anders gaan luisteren.