Het beeld van voetstappen in het zand is voor veel mensen vertrouwd. Twee sporen lopen naast elkaar en vertellen samen het verhaal van een leven. Tot op bepaalde stukken nog slechts één paar voetstappen zichtbaar is. Juist op de moeilijkste momenten, wanneer verdriet en onzekerheid het leven beheersten, lijkt één spoor verdwenen. De conclusie ligt voor de hand: daar liep iemand alleen. Het antwoord in Footprints in the Sand draait die gedachte om. Juist daar werd die mens gedragen.
Het is een beeld dat me blijft bezighouden, omdat het iets vertelt over hoe verschillend een leven eruitziet wanneer we er middenin zitten en wanneer we er later op terugkijken.
Footprints is geen Bijbeltekst. Het is een moderne tekst waarin een gedachte wordt verwoord die veel ouder is. In de Bijbel komt het beeld van gedragen worden op verschillende plaatsen terug. De ene keer als belofte voor een weg die nog moet worden afgelegd, de andere keer als constatering wanneer op die weg wordt teruggekeken.
In Jesaja staat een prachtige belofte. Zelfs wanneer de ouderdom gekomen is en de haren grijs geworden zijn, klinkt de toezegging dat God dezelfde blijft. Hij heeft de mens gemaakt, Hij zal hem dragen, ondersteunen en redden.
Ik zal je dragen.
Op andere plaatsen in de Bijbel wordt juist teruggekeken. In Deuteronomium wordt gesproken over de tocht door de woestijn en over God die zijn volk gedurende die reis heeft gedragen zoals een vader zijn zoon draagt. Ook bij Jesaja vinden we die terugblik: in hun nood werden mensen opgetild en gedragen.
Ik heb je gedragen.
Tussen die twee zinnen bevindt zich een wereld.
Tussen ik zal je dragen en ik heb je gedragen ligt namelijk het leven zelf. Daar bevinden zich de dagen waarop we nog helemaal niet weten hoe een verhaal zal aflopen. Daar liggen de nachten waarin slaap nauwelijks wil komen, de uren waarin gedachten alle kanten opgaan en de momenten waarop gevoelens elkaar zo snel kunnen afwisselen dat nauwelijks valt te begrijpen wat er vanbinnen gebeurt.
Terwijl ik over die woorden nadacht, wist ik dat ik deze blog niet alleen voor mezelf wilde schrijven. Deze keer schrijf ik voor iemand in het bijzonder. Iemand die op dit moment door een periode gaat waarin het leven zwaar is en de weg vooruit nauwelijks zichtbaar lijkt.
Wie die persoon is, doet voor dit verhaal niet ter zake. Ook wat er precies speelt, hoeft hier geen plaats te krijgen. Sommige verhalen behoren toe aan degene die ze leeft en verdienen de bescherming van de stilte.
Toch zou ik diegene graag iets willen meegeven wat ik zelf niet kan geven. Ik kan de weg niet korter maken. Ik kan verdriet niet wegnemen en ik kan geen rust brengen in nachten waarin gedachten blijven komen. Wat ik wel kan doen, is deze woorden opschrijven en hopen dat ergens tussen deze regels iets gevonden wordt om aan vast te houden.
Daarom is deze blog voor jou.
Achteraf kijken heeft iets overzichtelijks. We kennen het vervolg al. We weten dat de ochtend uiteindelijk gekomen is, dat we zijn opgestaan en dat er na die ene dag opnieuw een dag volgde. Midden in zo’n periode bestaat dat overzicht niet. Dan kan één nacht eindeloos lijken en kan de gedachte aan volgende week al veel te ver weg zijn.
Juist daarom vind ik het beeld van gedragen worden zo bijzonder.
Wij denken bij kracht vaak aan iemand die overeind blijft. Iemand die doorgaat, beslissingen neemt, de draad weer oppakt en langzaam opnieuw richting vindt. Dat is een zichtbare vorm van kracht. Er bestaat ook een veel stillere vorm. De kracht van iemand die vandaag alleen vandaag aankan. Van iemand die na een vrijwel slapeloze nacht toch weer opstaat. Van iemand die het ene moment denkt te weten hoe het verder moet en korte tijd later opnieuw overspoeld wordt door verdriet.
Van buitenaf kan dat eruitzien als zwalken. Van binnenuit kan het eenvoudigweg overleven zijn.
Een mens hoeft niet iedere dag te weten waarheen hij onderweg is. Niet iedere emotie hoeft onmiddellijk begrepen te worden en niet iedere vraag heeft vandaag een antwoord nodig. Verdriet houdt zich zelden aan de rechte lijnen die wij er later graag in herkennen. Het beweegt vooruit en achteruit, kan even verdwijnen en onverwacht terugkomen. Een herinnering, een lied, een lege plek of een gedachte kan voldoende zijn om opnieuw te voelen wat even naar de achtergrond leek verdwenen.
Dat maakt iemand niet zwak.
Het vertelt dat iets betekenis heeft gehad.
We zouden elkaar in zulke perioden graag willen helpen. We zouden verdriet willen verkleinen, antwoorden willen geven en de ander ervan willen overtuigen dat er werkelijk een dag komt waarop het anders voelt. Alleen kunnen mensen elkaar niet altijd brengen waar de ander uiteindelijk moet komen. Zelfs de meest liefdevolle woorden kunnen een slapeloze nacht niet voor iemand slapen. Niemand kan het verdriet van een ander overnemen en niemand kan namens een ander de tijd versnellen.
Daarin zit ook iets machteloos.
Wie iemand ziet worstelen, wil vaak iets dóén. Een hand uitsteken, oplossen, verzachten, beschermen. Toch kan nabijheid ook betekenen dat we erkennen dat wij niet degene zijn die het antwoord kunnen geven. Dat wij erop moeten vertrouwen dat een mens gedragen kan worden door meer dan alleen onze eigen armen.
Daar krijgt die oude belofte voor mij betekenis.
Ik zal je dragen.
Die belofte zegt niet dat je niet zult vallen. Ze zegt evenmin dat je geen verdriet zult kennen, dat iedere nacht rustig zal zijn of dat iedere ochtend helder zal beginnen. De woorden gaan juist over een mens die kennelijk gedragen moet worden. Over kwetsbaarheid, afhankelijkheid en perioden waarin de eigen kracht onvoldoende voelt.
En daar komt Footprints opnieuw in beeld.
De hoofdpersoon kijkt achteraf naar zijn levensweg en denkt aanvankelijk bewijs van verlatenheid te zien. Op de zwaarste gedeelten staat immers maar één paar voetstappen. Pas daarna verandert zijn perspectief. Het ontbreken van zijn eigen voetstappen blijkt geen bewijs dat hij alleen was. Het vertelt dat hij op dat gedeelte zelf niet hoefde te lopen.
Wat mij raakt, is dat hij dat tijdens die reis kennelijk niet wist.
Hij begreep het pas achteraf.
Dat betekent dat gedragen worden blijkbaar niet altijd voelt als gedragen worden.
Je kunt je alleen voelen en toch niet alleen zijn. Je kunt denken dat je valt terwijl iets je opvangt. Je kunt geen enkele vooruitgang ervaren en later ontdekken dat je toch verder bent gekomen. Je kunt op een ochtend wakker worden en geen idee hebben hoe je opnieuw een hele dag moet volbrengen, om maanden of jaren later vast te stellen dat ook die dag uiteindelijk onderdeel is geworden van de weg achter je.
We weten tijdens de donkerste gedeelten van ons leven zelden hoe het landschap er verderop uitziet. Daarom hoeven we daar ook nog niet te zijn.
Vandaag mag vandaag zijn. Een nacht mag een nacht zijn en verdriet mag verdriet zijn. Als lopen vandaag niet lukt, hoeft dat nog niet te betekenen dat de reis is gestopt.
Dat is voor mij uiteindelijk de verbinding tussen die oude Bijbelse woorden en het moderne gedicht over voetstappen in het zand. De Bijbel geeft aan de ene kant van de weg een belofte en kijkt aan de andere kant terug met een constatering.
Ik zal je dragen.
Ik heb je gedragen.
Daartussen loopt een mens zijn leven.
Op veel stukken zullen twee paar voetstappen zichtbaar zijn. We lopen, kiezen, groeien, struikelen, staan weer op en vinden onze weg. Op andere stukken zien we later slechts één spoor.
Juist die stukken hoeven niet de plekken te zijn waarvoor we ons moeten schamen of waarop we onszelf zwak moeten noemen. Het kunnen de gedeelten zijn waarop onze eigen voeten eenvoudigweg niet meer konden wat wij van ze verlangden.
En wie vandaag midden in zo’n gedeelte van zijn levensweg staat, hoeft nog niet achterom te kunnen kijken. Die hoeft vandaag ook nog niet te begrijpen waarom de weg loopt zoals hij loopt. Daarvoor is afstand nodig, en afstand ontstaat alleen door tijd.
Daarom hoop ik voor degene voor wie ik deze woorden schrijf vooral dat vandaag niet meer hoeft te zijn dan vandaag. Dat er geen antwoorden gevonden hoeven te worden voordat ze zich aandienen en geen kracht bewezen hoeft te worden die er op dit moment eenvoudigweg niet is.
Ik kan niet weten hoe jouw weg verdergaat.
Ik hoop wel dat er ooit een dag komt waarop je achterom kunt kijken en ontdekt dat juist op het gedeelte waarop je dacht nauwelijks meer verder te kunnen, toch voetstappen in het zand zijn achtergebleven.
En als het er maar één paar zijn, hoop ik dat je dan weet waarom.
Aan het begin van die weg klonk de belofte:
Ik zal je dragen.
En ergens, veel verderop, kan wellicht de terugblik volgen:
Ik heb je gedragen.
Voor nu hoeft de afstand tussen die twee zinnen nog niet te worden overbrugd.
Voor nu mag je erop vertrouwen dat je niet iedere stap zelf hoeft te zetten.
Je mag ook gedragen worden en je zal gedragen worden!