De wijsheid van het niet weten

Tijdens een gesprek met Edgar kwamen we op het onderwerp wijsheid. We hadden het over kennis, nieuwsgierigheid en de vraag wat iemand eigenlijk wijs maakt. Op een gegeven moment viel het Engelse woord stupidity. Edgar reageerde met een glimlach, alsof ik hem zojuist voor dom had uitgemaakt. Dat was uiteraard niet mijn bedoeling. Toch bleef dat woord bij me hangen, omdat het iets beschrijft waarvoor ik in mijn gedachten nog geen goede benaming had gevonden.

In mijn vorige blog beschreef ik kennis als een driedimensionaal blok. Alles wat we weten, denken te weten en door onze ervaringen hebben geleerd, bevindt zich binnen dat blok. Het oppervlak vormt de grens met alles wat we nog niet weten. Naarmate we meer leren, kan ons kennisblok groeien. Tegelijkertijd blijft er buiten dat blok een vrijwel onbegrensde wereld van onbekende mogelijkheden bestaan. Wijsheid heeft volgens mij weinig te maken met de omvang van dat blok. Het gaat om de manier waarop we ons verhouden tot wat zich aan de andere kant van het oppervlak bevindt. Dat brengt me terug bij de woorden van Douglas Davis, die wijsheid omschreef als “stuff in relation to other stuff”. Juist op dat grensvlak kunnen we verbanden leggen tussen wat we al weten en wat we nog niet kennen. Daar ontstaat de mogelijkheid om onze bestaande kennis vanuit een ander perspectief te bekijken en onze overtuigingen opnieuw te onderzoeken.

We kunnen nieuwsgierig zijn naar wat we nog niet kennen, vragen stellen en nieuwe verbanden ontdekken. We kunnen ook bereid zijn om wat we al denken te weten opnieuw te onderzoeken. Vooral dat laatste vind ik een wezenlijk onderdeel van wijsheid. Het vraagt dat we onze overtuigingen niet uitsluitend gebruiken om nieuwe informatie te beoordelen, terwijl we ook toestaan dat nieuwe informatie invloed heeft op die overtuigingen zelf.

Daar, op datzelfde grensvlak, bevindt zich volgens mij ook stupidity.

De zekerheid die we beschermen

Het Engelse woord stupidity wordt doorgaans vertaald als domheid. Dat roept al snel associaties op met een gebrek aan intelligentie, opleiding of kennis. Die betekenis zoek ik niet. Een bijzonder intelligent mens kan keuzes maken die weinig verstandig zijn, terwijl iemand met beperkte kennis een opmerkelijk wijze houding kan hebben.

Ik moest daarbij denken aan de bekende uitspraak van toenmalig prinses Máxima, die Willem-Alexander ooit een beetje dom noemde. Daarmee werd geen oordeel uitgesproken over zijn intelligentie. Het ging over een handeling die achteraf niet zo verstandig bleek. Dat onderscheid helpt mij om uit te leggen wat ik met stupidity bedoel.

Iedere dag komen we in aanraking met informatie die we niet verder onderzoeken. We lezen niet ieder artikel, beantwoorden niet iedere vraag en gaan niet op iedere gedachte in. Daar is niets vreemds aan. Onze tijd en aandacht zijn beperkt en we hebben allemaal onze eigen belangstelling en prioriteiten. Ook iemand die tijdelijk niet de ruimte voelt om een ingrijpende overtuiging te onderzoeken, hoeft daarmee niets onverstandigs te doen.

Het wordt voor mij anders wanneer iemand bewust besluit bepaalde informatie niet te onderzoeken, juist omdat de mogelijke uitkomst zijn bestaande overtuigingen ter discussie zou kunnen stellen. Niet de gemiste kennis is dan bepalend, evenmin de keuze om iets voorlopig te laten rusten. Het gaat om het bewust beschermen van wat we denken te weten tegen de mogelijkheid dat we ons vergissen.

Dat verschijnsel noem ik stupidity.

Het is geen eigenschap die ik aan een mens wil toeschrijven. Ik kan immers niet weten welke overwegingen achter iemands keuzes liggen. Bovendien herken ik in mijzelf voldoende momenten waarop ik liever vasthield aan een vertrouwde gedachte dan dat ik onmiddellijk bereid was haar opnieuw te onderzoeken. Juist daarom vind ik het begrip interessant. Het geeft woorden aan een houding die we bij onszelf kunnen proberen te herkennen.

Nieuwsgierigheid heeft geen garantie op wijsheid

Nieuwsgierigheid lijkt op het eerste gezicht een vanzelfsprekende weg naar wijsheid. Toch ligt dat ingewikkelder. Iemand kan buitengewoon nieuwsgierig zijn en tegelijkertijd heel selectief omgaan met de vragen die hij zichzelf toestaat.

Denk aan iemand die jarenlang een bepaald onderwerp bestudeert. Hij leest boeken, verzamelt gegevens, spreekt deskundigen en ontwikkelt steeds meer kennis. Binnen zijn vakgebied kan hij indrukwekkende verbanden leggen. Tegelijkertijd kan hij bepaalde uitgangspunten als onaantastbaar beschouwen. Alles wat binnen die uitgangspunten past, verdient onderzoek. Wat ze werkelijk ter discussie zou kunnen stellen, blijft buiten beeld.

Zijn nieuwsgierigheid is oprecht en zijn kennis kan aanzienlijk groeien. Toch heeft hij een grens getrokken waar zijn nieuwsgierigheid niet voorbij mag komen.

Dat is wat we vaak tunneldenken noemen. We kijken steeds verder in een bepaalde richting en kunnen daarin bijzonder bedreven raken, terwijl we nauwelijks nog onderzoeken of de richting zelf wel klopt.

Hier wordt ook duidelijk waarom ik wisdom en stupidity niet als tegenpolen beschouw. Ze bevinden zich op hetzelfde grensvlak tussen kennis en onwetendheid en kunnen binnen dezelfde persoon naast elkaar bestaan. Iemand kan op het ene terrein bereid zijn diepgewortelde overtuigingen te herzien en op een ander terrein zorgvuldig vermijden dat zijn zekerheden ter discussie komen te staan.

Sterker nog, het is denkbaar dat iemand door een onderzoekende houding steeds meer wijsheid ontwikkelt, terwijl het groeiende vertrouwen in zijn inzichten hem tegelijkertijd minder ontvankelijk maakt voor bepaalde andere mogelijkheden. Juist doordat we veel hebben geleerd, kunnen we gaan geloven dat we een onderwerp inmiddels voldoende begrijpen.

Wijsheid is daarmee geen bezit dat we eenmaal verwerven en vervolgens kunnen bewaren. Het blijft verbonden met onze bereidheid om opnieuw vragen te stellen. Zoals ik in mijn vorige blog al schreef: wijsheid is een werkwoord. Het krijgt betekenis in wat we doen met onze kennis, in de vragen die we durven stellen en in de ruimte die we laten voor inzichten die ons bestaande denken kunnen veranderen.

Onderzoek alles

Mijn vader heeft een grote invloed gehad op de manier waarop ik naar kennis en overtuigingen kijk. Van hem leerde ik dat je moet durven onderzoeken wat je hoort, leest en ziet. Ook wanneer iets overtuigend klinkt, ook wanneer het afkomstig is van iemand die je vertrouwt en zeker wanneer het aansluit bij wat je zelf al denkt te weten. Hij leerde mij bovendien dat je bereid moet zijn je eigen conclusies opnieuw te bekijken.

Een van zijn interesses was het vergelijken van sprookjes, mythen en oude overleveringen uit dezelfde tijd en omgeving. Hij ging ervan uit dat zelfs verzonnen verhalen iets kunnen vertellen over de wereld waarin ze zijn ontstaan. Wanneer verschillende verhalen overeenkomsten vertonen, kan dat aanleiding zijn om te onderzoeken welke ervaringen, gebeurtenissen of gebruiken daar mogelijk achter schuilgaan. De vele overleveringen over grote overstromingen zijn daarvan een voorbeeld. De verhalen hoeven niet letterlijk waar te zijn en hoeven evenmin dezelfde gebeurtenis te beschrijven om toch interessante vragen op te roepen.

Wat mij vooral is bijgebleven, is zijn bereidheid om een bron serieus te onderzoeken zonder haar bij voorbaat als waarheid te aanvaarden. Een verhaal dat historisch onbetrouwbaar lijkt, kan nog altijd waardevolle informatie bevatten. Omgekeerd kan een verhaal dat bijzonder geloofwaardig klinkt bij nader onderzoek onjuist blijken. De kunst is om onze eerste indruk niet automatisch tot onze definitieve conclusie te verheffen.

Ik ben mijn vader dankbaar voor die houding. Ik denk dat mijn kritische manier van denken voor een belangrijk deel daar haar oorsprong vindt.

Wat als we liever gelijk houden?

Het is betrekkelijk eenvoudig om kritisch te kijken naar de overtuigingen van anderen. We herkennen tegenstrijdigheden, stellen vragen en begrijpen niet altijd waarom iemand vasthoudt aan een opvatting waarvoor wij onvoldoende onderbouwing zien. Veel ingewikkelder wordt het wanneer dezelfde kritische houding betrekking heeft op onze eigen overtuigingen.

Want wat gebeurt er wanneer we tijdens een gesprek merken dat een ander een vraag stelt waarop we geen goed antwoord hebben? Zijn we dan nieuwsgierig naar wat die vraag ons kan leren, of zoeken we vooral naar een manier om ons bestaande standpunt overeind te houden?

Dat onderscheid is niet altijd onmiddellijk zichtbaar. Ook voor onszelf niet.

We kunnen oprecht menen dat we een onderwerp zorgvuldig hebben onderzocht, terwijl we vooral bronnen hebben geraadpleegd die onze bestaande inzichten bevestigen. We kunnen denken dat we openstaan voor nieuwe informatie, zolang die informatie binnen onze vertrouwde manier van denken past. En we kunnen een tegenargument afwijzen omdat het werkelijk onvoldoende overtuigend is, terwijl we op een ander moment hetzelfde argument afwijzen omdat we de mogelijke gevolgen ervan liever niet onder ogen zien.

Daarom vraagt stupidity volgens mij vooral om zelfonderzoek. Het begrip wordt weinig waardevol wanneer we het gebruiken om anderen mee te beoordelen. Het wordt interessanter wanneer we ons afvragen welke overtuigingen wijzelf liever ongemoeid laten.

Daarbij hoeven we niet iedere overtuiging voortdurend ter discussie te stellen. Niemand kan zijn hele kennisblok op ieder moment opnieuw onderzoeken. We hebben onze zekerheden ook nodig om te kunnen handelen, beslissingen te nemen en ons dagelijks leven vorm te geven.

Het gaat om iets anders: of we bereid blijven te erkennen dat ook onze meest vertrouwde overtuigingen onvolledig of onjuist kunnen zijn.

Dat vraagt niet dat we onszelf voortdurend wantrouwen. Het vraagt dat we ruimte laten voor de mogelijkheid dat de werkelijkheid groter is dan ons huidige begrip ervan.

De ruimte om ongelijk te hebben

Ik vind het een geruststellende gedachte dat wijsheid en stupidity naast elkaar kunnen bestaan. Daarmee hoeven we mensen niet in te delen in degenen die wijs zijn en degenen die dat niet zijn. We hoeven zelfs niet te verwachten dat iemand die op één terrein bijzonder onderzoekend is, dat op alle andere terreinen eveneens zal zijn.

Het kennisblok waarmee ik deze gedachtegang begon, heeft immers vele oppervlakken. Op het ene deel kunnen we nieuwsgierig onderzoeken wat zich daarbuiten bevindt. Op een ander deel kunnen we overtuigd zijn dat we inmiddels voldoende weten. En ergens anders kunnen we een vraag tegenkomen die ons zo direct raakt dat we haar liever niet stellen.

Dat maakt ons menselijk. Het betekent ook dat wijsheid nooit helemaal voltooid is.

Voor mij ligt de waarde van kritisch denken uiteindelijk in de vrijheid om van inzicht te veranderen. Wanneer ik iets onderzoek, hoef ik niet vooraf te weten waar ik uitkom. Nieuwe informatie kan bevestigen wat ik al dacht, mijn overtuiging verdiepen of mij tot een andere conclusie brengen. Al die uitkomsten zijn mogelijk zolang ik bereid ben ze serieus te nemen.

De vraag is dus niet hoeveel kennis we hebben verzameld, hoeveel boeken we hebben gelezen of hoe vaak we gelijk hebben gekregen.

Interessanter is wat we doen wanneer we ontdekken dat er buiten onze vertrouwde kennis iets bestaat wat ons denken zou kunnen veranderen.

Durven we dan nog nieuwsgierig te zijn, ook wanneer we niet zeker weten of we daarna hetzelfde zullen geloven?

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.