Er bestaat een verhaal over een adelaar die als jong dier tussen de kippen terechtkomt. Hij groeit op op het erf, scharrelt over de grond, pikt zijn voedsel tussen het zand vandaan en kijkt naar de wereld zoals de kippen om hem heen dat doen. Niemand vertelt hem dat hij anders is. Zelf heeft hij ook geen reden om daaraan te twijfelen. Dit is zijn omgeving, dit is zijn leven en dus zal dit wel zijn wie hij is.
Op een dag ziet hij hoog boven het erf een adelaar vliegen. De vogel zweeft op de lucht, spreidt zijn vleugels en lijkt zich bijna zonder inspanning door de hemel te bewegen. Gefascineerd kijkt hij omhoog en vraagt wat voor prachtige vogel dat is. Een van de kippen vertelt hem dat het een adelaar is. Een vogel die hoog in de lucht thuishoort, terwijl zij kippen zijn en op de grond leven. De adelaar kijkt nog even omhoog en gaat daarna verder met scharrelen. Het komt niet in hem op dat wat hij daarboven bewondert ook iets over hemzelf vertelt.
Dat verhaal kwam vandaag voorbij tijdens een kerkdienst en bleef bij mij hangen. Het beeld raakte aan een vraag waar ik de afgelopen jaren veel mee bezig ben geweest: hoeveel van onze identiteit ontstaat werkelijk van binnenuit en hoeveel leren we over onszelf doordat onze omgeving ons jarenlang vertelt wie we zijn?
Misschien spreekt juist daarom die adelaar mij zo aan. Vogels hebben voor mij iets van vrijheid en een adelaar voegt daar kracht, wijsheid en overzicht aan toe. Hoog kunnen vliegen en tegelijkertijd kunnen zien wat zich beneden afspeelt. Als ik dan toch een vogel mocht kiezen om mijzelf mee te vergelijken, laat het gerust een adelaar zijn. Oh, was ik maar een adelaar.
Alleen begint dit verhaal met een adelaar die zelf nog niet weet wie hij is.
Ik groeide op met vier broers en was het kleine broertje. Feitelijk klopt daar niets minder aan. Iemand moet de jongste zijn. Alleen kan zo’n feit langzaam een rol worden. Het kleine broertje blijft het kleine broertje, ook wanneer hij allang volwassen is. Oudere broers kunnen hem blijven corrigeren vanuit een verhouding die ooit vanzelfsprekend was. De rollen liggen vast, totdat iemand besluit dat ze niet langer passen. In mijn eigen leven heeft dat uiteindelijk geleid tot afstand en breuken die ik liever niet nodig had gehad. Tegelijkertijd ontstond daardoor ruimte om opnieuw te onderzoeken wie ik eigenlijk was wanneer ik niet langer voortdurend vanuit oude verhoudingen naar mezelf keek.
In 1968 publiceerden Robert Rosenthal en Lenore Jacobson hun beroemde onderzoek Pygmalion in the Classroom. Leraren kregen te horen dat bepaalde leerlingen waarschijnlijk een sterke intellectuele ontwikkeling zouden doormaken, terwijl die leerlingen willekeurig waren geselecteerd. Het onderzoek werd later uitvoerig bediscussieerd en genuanceerd, toch bleef een belangrijke gedachte overeind: verwachtingen van anderen kunnen invloed hebben op de manier waarop mensen worden benaderd en op de ruimte die zij krijgen om zich te ontwikkelen. Wie voortdurend wordt gezien als talentvol, lastig, zwak, slim, onhandig, kansrijk of kansarm, leeft niet volledig los van die verwachtingen.
Daar hoef je geen klaslokaal voor binnen te lopen. Een gezin kan zo’n omgeving zijn, net als een relatie, een werkplek, een vriendengroep, een kerk of een samenleving. We kijken naar elkaar en geven elkaar voortdurend informatie over wie we volgens ons zijn. Veel daarvan gebeurt liefdevol en zonder verkeerde bedoeling. Toch kunnen woorden die vaak genoeg worden herhaald uiteindelijk gaan klinken als onze eigen stem.
Het verhaal over de adelaar kreeg tijdens de dienst gezelschap van een ander oud verhaal. David komt op een slagveld terecht waar zijn broers en het leger van koning Saul tegenover de Filistijnen staan. Zijn oudere broer Eliab vraagt zich af wat David daar eigenlijk doet. Koning Saul ziet een jongen die onmogelijk opgewassen kan zijn tegen een ervaren krijger. Goliath kijkt naar hem en ziet al helemaal geen serieuze tegenstander. Drie mensen kijken vanuit verschillende posities naar dezelfde jongen en komen ongeveer bij dezelfde conclusie uit: dit is jouw plaats niet.
Toch blijft David staan.
Wat mij daarin raakt, is dat David zichzelf niet groter hoeft te maken dan hij is. Hij wordt geen soldaat door een harnas aan te trekken dat niet bij hem past. Hij probeert geen tweede Saul te worden en al helemaal geen tweede Goliath. Hij neemt mee wat hij kent, wat hij heeft geleerd en wat hem eerder heeft geholpen. Vanuit de Bijbelse vertelling hoort daar nadrukkelijk zijn vertrouwen in God bij. Je kunt het verhaal religieus lezen, tegelijk zit er ook een heel menselijke laag in. David accepteert niet dat het beeld dat anderen van hem hebben automatisch de grens vormt van wat hij kan zijn.
De afgelopen jaren heb ik zelf veel van zulke grenzen opnieuw bekeken. Na mijn scheiding kwam Noorwegen, een reis die steeds meer een reflectietocht werd. Daarna volgden andere ‘wandelingen’: Walking for Humanity, wat begon als een wandeling over het Pieterpad en uitgroeide tot een veel grotere zoektocht naar menselijkheid, 365 Dagen Succesvol, ontmoetingen, gesprekken en vooral veel schrijven. Onderweg begon ik zelfs opnieuw naar mijn eigen namen te kijken: Ante, Paul en Christiaan. Namen die ik mijn hele leven al draag en waarin ik gaandeweg opvallend veel ben gaan herkennen van de mens die ik ben en wil zijn.
Over Ante schreef ik eerder vanuit Kinderen van de grote Fjelds, het verhaal waarin een jongen van noord naar zuid trekt op zoek naar een betere wereld voor zijn broertjes en zusjes. Jaren later liep ik zelf van Noord- naar Zuid-Nederland met Walking for Humanity, gedreven door mijn eigen zoektocht naar menselijkheid. Over Paul schreef ik Paul, de worstelaar. Paulus fascineert mij vanwege zijn intensiteit, zijn eigenzinnigheid, zijn confrontaties en zijn vermogen om volledig op te gaan in datgene waarvan hij overtuigd raakt. Ik herken mij niet in al zijn zekerheden. Ik herken wel de zoeker, de worstelaar en de confronteerder. Ook Christiaan heeft inmiddels zijn eigen betekenis gekregen binnen mijn zoektocht.
Ik hoef die namen niet meer te ontdekken. Ik heb ze al omarmd.
Juist daarom viel mij vandaag opnieuw iets op. Voor de derde week op rij kwam Paulus nadrukkelijk voorbij in een dienst die mij raakte. Op zichzelf is dat ongeveer het minst spectaculaire wonder dat je in een christelijke kerk kunt meemaken. Wie regelmatig een kerk bezoekt, heeft een behoorlijke kans Paulus tegen te komen. Een groot deel van het Nieuwe Testament bestaat uit brieven die met hem verbonden zijn. Toch krijgt iets gewoons een andere betekenis wanneer het precies raakt aan iets wat in jezelf al leeft.
En daar komt het verhaal van gisteren en vandaag op een ander terrein terecht.
Gisteren sprak ik met Eduard over God. Niet vanuit de vraag waarom God niet tegen mij praat. Die vraag past eigenlijk niet bij mijn ervaring. Mijn worsteling zit ergens anders. Wanneer ik terugkijk op de afgelopen jaren zie ik een bijna onvoorstelbare hoeveelheid ontmoetingen, gebeurtenissen en toevalligheden die op merkwaardige momenten bij elkaar kwamen. Over toeval heb ik in de loop van de tijd meerdere keren geschreven, steeds vanuit verschillende gebeurtenissen en verschillende momenten in mijn leven. De rode draad daarin is al lange tijd dezelfde: ik geloof niet dat toeval bestaat. Wie daar meer over wil lezen, vindt die gedachten onder andere terug in [blog over toeval 1], [blog over toeval 2], [blog over toeval 3] en [eventueel blog over toeval 4].
Dat betekent nog niet dat ik daarmee weet wat al die gebeurtenissen dan wél betekenen. Precies daar begint mijn huidige worsteling. Gelovige mensen aan wie ik mijn verhaal vertel, herkennen zonder veel moeite Gods aanwezigheid. Zij luisteren naar mijn ervaringen en zien leiding, zegeningen en een God die kennelijk allang met mij onderweg is.
Ik zie dezelfde gebeurtenissen en toch herken ik Hem er niet in.
Dat verschil houdt mij bezig. Het voelt af en toe zelfs ongemakkelijk. Stel dat al die dingen waarvoor ik dankbaar ben werkelijk iets met God te maken hebben. Dan ontvang ik kennelijk veel zonder te herkennen van wie het komt. Ik wil mezelf geen geloof aanpraten omdat een ander mijn ervaringen op een bepaalde manier uitlegt. Tegelijkertijd wil ik ook niet jarenlang blijven wegkijken wanneer er werkelijk iets te herkennen valt.
Vanmorgen haalde Eduard mij op voor de kerk. Ik besloot voor het eerst mee te gaan naar de sabbatschool. Het onderwerp bleek spreken met God te zijn. Het waren mooie gesprekken, al vond ik er niet het antwoord waarop ik ergens had gehoopt. Ik voelde ook niet de behoefte om tijdens mijn eerste bezoek onmiddellijk mijn persoonlijke zoektocht midden in de groep te leggen. Deze ochtend hoefde niet ineens om mij te draaien.
Daarna kwam de dienst. De adelaar tussen de kippen, identiteit, David als kleine broertje dat volgens anderen op de verkeerde plaats stond en opnieuw Paulus die ergens in het verhaal verscheen. Los van elkaar zijn het gewone onderdelen van een kerkdienst. Bij elkaar kwamen ze wel heel dicht bij vragen waarmee ik zelf al langere tijd onderweg ben.
Na afloop bracht Eduard mij naar huis. In de auto spraken we verder over mijn worsteling en hij bad voor mij. Niet dat God eindelijk eens iets in mijn leven zou doen. Precies dat is mijn vraag niet. Hij bad dat God zich aan mij zou openbaren op een manier waarop ik Hem kan herkennen.
Eenmaal thuis bleef ik ermee bezig. Ik probeerde de gebeurtenissen van gisteren en vandaag naast elkaar te leggen en woorden te vinden voor iets wat zich moeilijk laat vastpakken. Ondertussen stond een playlist aan. Precies op dat moment kwam The Power of Your Love voorbij en ik moest bijna lachen. Waanzin, dacht ik.
Dat is eigenlijk het woord dat ik de laatste tijd opvallend vaak gebruik voor gebeurtenissen die te bijzonder voelen om achteloos voorbij te laten gaan en die ik tegelijk nog niet zomaar aan God durf toe te schrijven. Ik geloof al langer dat toeval niet bestaat en daarmee verschuift mijn aandacht vanzelf naar de betekenis van wat er gebeurt. Wat vertelt zo’n samenloop mij, zit er een richting in en waarom herkennen anderen daarin zo gemakkelijk God terwijl diezelfde herkenning mij veel moeilijker afgaat?
Juist daar bracht die adelaar mij vandaag terug bij identiteit. De adelaar uit het verhaal ontdekt uiteindelijk dat zijn omgeving hem iets over zichzelf heeft geleerd wat niet volledig waar was. Zijn vleugels waren nooit verdwenen. Hij moest alleen leren waarvoor ze dienden. Ook ik heb de afgelopen jaren ervaren hoe het is om oude rollen los te laten. Het kleine broertje is volwassen geworden. De mens die zich ooit gemakkelijker liet vertellen waar zijn plaats was, is gaan reizen, lopen, schrijven, spreken, confronteren en zoeken. Ik hoef niet meer te ontdekken dat ik vleugels heb, want ik vlieg inmiddels al.
Dat vliegen is geen eindpunt. Het betekent hoogte zoeken, tegenwind ontmoeten, dalen en opnieuw richting bepalen. De vrijheid waarnaar ik zo lang heb gezocht blijkt niet hetzelfde te zijn als precies weten waar je naartoe gaat. Daar bevindt mijn zoektocht zich nu, in werk, relaties, schrijven, menselijkheid, geloof en de manier waarop ik mijn leven verder wil vormgeven.
Juist de afgelopen week liet opnieuw zien hoe weinig zo’n ontwikkeling op een keurige stijgende lijn lijkt. Dingen begonnen weer de goede kant op te bewegen en vervolgens ontstond er ineens gedoe rond de huur van mijn appartement. Een paar dagen kunnen voldoende zijn om vertrouwen en onzekerheid opnieuw naast elkaar te zetten. Ook een adelaar vliegt niet voortdurend omhoog en hoogte verliezen betekent nog niet dat de vleugels niet werken. Een adelaar daalt ook omdat beneden iets ligt wat hij nodig heeft. Hij verlaat de hoogte om te jagen, voedsel te vinden en nieuwe energie op te doen. Daarna kan hij zijn vleugels opnieuw spreiden en de luchtstromen gebruiken om weer hoogte te winnen. Zo bekeken hoeft dalen in een mensenleven evenmin het tegenovergestelde van groeien te zijn. Wat op het eerste gezicht voelt als hoogte verliezen, kan juist deel uitmaken van wat nodig is om verder te kunnen vliegen.
David wist in het verhaal waar hij moest staan. De adelaar ziet uiteindelijk de lucht en ontdekt waarvoor zijn vleugels bedoeld zijn. Paulus kreeg op weg naar Damascus een ervaring die zijn leven een radicaal andere richting gaf. Mijn werkelijkheid is minder helder. Ik heb geen Damascus gehad waarop alles ineens onmiskenbaar werd. Ik heb een lange verzameling reizen, gesprekken, ontmoetingen, toevalligheden, namen, teksten en ervaringen die steeds meer met elkaar lijken te praten. Daar hoef ik vandaag geen sluitende verklaring voor te vinden.
Leven als een adelaar betekent voor mij inmiddels dat ik niet terug hoef naar de grond omdat ik de bestemming nog niet ken. Ik mag vliegen en onderweg blijven kijken. Ik mag kritisch blijven zonder ieder bijzonder moment onmiddellijk weg te verklaren, zoeken zonder van iedere samenloop een teken te maken en ruimte laten voor de mogelijkheid dat God in mijn leven aanwezig kan zijn voordat ik Hem daarin herken.
Daarmee verandert ook mijn vraag. Er gebeurt in mijn beleving inmiddels te veel om nog bezig te zijn met de vraag óf er iets gebeurt, en mijn vleugels hoef ik evenmin nog te zoeken omdat ik ze al gebruik. Wat overblijft is de vraag naar richting: waarheen vlieg ik eigenlijk, wat doe ik met de vrijheid en identiteit die ik de afgelopen jaren steeds meer heb gevonden en wat betekent alles wat ik onderweg tegenkom?
Identiteit is daarmee voor mij ook geen antwoord dat je eenmaal vindt en daarna bezit. We blijven onszelf ontmoeten in nieuwe omstandigheden, bevrijden ons van oude beelden en ontdekken telkens opnieuw welke delen werkelijk bij ons horen. De omgeving waarin we zijn opgegroeid heeft ons gevormd, zonder daarmee voor altijd te bepalen hoe hoog we mogen vliegen.
Ik weet inmiddels beter wie ik ben dan een paar jaar geleden. Ik draag mijn namen met meer bewustzijn en ken mijn behoefte om te zoeken, te confronteren, te verbinden en te blijven worstelen met vragen waarop eenvoudige antwoorden tekortschieten. Ook mijn zoektocht naar God hoort daar inmiddels bij. Waar mijn vlucht uiteindelijk naartoe gaat, weet ik nog niet, en juist daarin ligt voor mij de volgende stap: mijn vleugels blijven gebruiken, blijven kijken naar wat zich onderweg aandient en open blijven voor wat het mij probeert te vertellen. Als er werkelijk Iemand met mij meevliegt, hoop ik Hem onderweg steeds beter te leren herkennen.