Een van de hardnekkigste ideeën over democratie klinkt zo logisch dat we nauwelijks nog stilstaan bij de vraag of het eigenlijk klopt. We stemmen, we tellen de stemmen en degene met de meeste stemmen wint. De meerderheid heeft gesproken. Democratischer kan het bijna niet, zou je denken.
Alleen begint democratie daar pas.
Ik werd daar deze week opnieuw aan herinnerd door een filmpje dat ik op LinkedIn zag. Posten kan ik daar nog altijd niet. Reageren evenmin. LinkedIn heeft mij nog steeds geblokkeerd, waardoor mijn rol op het platform voorlopig beperkt blijft tot die van toeschouwer. Filmpjes bekijken kan gelukkig nog wel, en af en toe komt er dan iets voorbij waardoor een gedachte blijft hangen.
In dit filmpje werd een eenvoudig voorbeeld gebruikt.
Stel je een bus voor met vijftig mensen. Zevenenveertig passagiers willen graag roken. Drie passagiers hebben astma en kunnen slecht tegen sigarettenrook. We besluiten het democratisch op te lossen en organiseren een stemming.
Zevenenveertig mensen stemmen voor roken. Drie mensen stemmen tegen.
De uitslag kan nauwelijks duidelijker zijn. De voorstanders hebben 94 procent van de stemmen gekregen. Als democratie uitsluitend betekent dat de meerderheid beslist, kunnen de sigaretten worden aangestoken. De stemming is geweest en de meerderheid heeft gesproken.
Toch voelen de meeste mensen waarschijnlijk onmiddellijk dat hier iets fundamenteel niet klopt.
De wens van zevenenveertig mensen om te roken staat tegenover de gezondheid van drie anderen. Het enorme verschil in aantallen verandert niets aan dat onderscheid. Zelfs wanneer negenenveertig mensen willen roken en één persoon ernstige astma heeft, ontstaat uit die overweldigende meerderheid nog geen vanzelfsprekend recht om die ene persoon aan schadelijke rook bloot te stellen.
Daarmee komen we bij een hardnekkige mythe over democratie.
Democratie betekent niet dat de meerderheid onbeperkt mag bepalen wat er met een minderheid gebeurt.
Natuurlijk speelt de meerderheid een essentiële rol. Verkiezingen zouden betekenisloos worden wanneer aantallen er niet toe deden. We kiezen volksvertegenwoordigers, partijen krijgen zetels en meerderheden zijn nodig om besluiten te nemen. Onze democratie bestaat tegelijk uit veel meer dan het tellen van stemmen. Zij functioneert binnen een democratische rechtsstaat waarin politieke macht wordt begrensd door grondrechten, wetten, onafhankelijke rechtspraak en principes die voorkomen dat degene met de meeste stemmen automatisch alles mag bepalen.
Dat onderscheid is wezenlijk.
Een meerderheid kan beslissen welke politieke richting een land kiest. Een meerderheid kan belastingtarieven veranderen, investeringen verschuiven en andere prioriteiten stellen. Een meerderheid krijgt daarmee geen vrijbrief om fundamentele rechten afhankelijk te maken van populariteit.
Een meerderheid mag beslissen wie regeert. Zij mag niet beslissen wie minder mens is.
Juist daarin ligt een van de belangrijkste opdrachten van een volwassen democratie: macht begrenzen wanneer mensen die zelf weinig politieke macht bezitten bescherming nodig hebben.
Het voorbeeld van asielzoekers maakt dat zichtbaar.
In Nederland praten we voortdurend over hen. Politieke partijen bouwen een aanzienlijk deel van hun politieke verhaal rond migratie en asiel. Verkiezingsdebatten gaan over aantallen, opvang, grenzen en procedures. Wetten worden voorgesteld en maatregelen kunnen rechtstreeks bepalen hoe het dagelijkse leven van mensen in de asielprocedure eruitziet.
De mensen over wie wij spreken, kunnen ondertussen niet stemmen voor de Tweede Kamer zolang zij geen Nederlandse nationaliteit hebben.
Dat maakt hun positie wezenlijk anders dan die van een Nederlandse kiezer die bij verkiezingen tot de minderheid behoort. Wanneer mijn politieke voorkeur verliest, heb ik in ieder geval mijn stem kunnen uitbrengen. Ik heb deelgenomen aan het democratische proces. Bij een volgende verkiezing kan ik opnieuw stemmen, anderen proberen te overtuigen en volksvertegenwoordigers aanspreken op hun keuzes.
Een asielzoeker heeft die electorale macht niet.
Wij beslissen over zijn leven zonder dat hij kan meebeslissen over de samenstelling van het parlement dat die besluiten neemt.
Laten we daarom opnieuw naar die bus kijken, alleen deze keer maken we het voorbeeld iets realistischer.
Er zitten nog steeds vijftig mensen in de bus. Drie van hen hebben astma. Juist zij ondervinden de grootste gevolgen wanneer er in die afgesloten ruimte wordt gerookt. Alleen mogen deze drie mensen niet meestemmen.
Er blijven zevenenveertig stemgerechtigde passagiers over.
Van hen stemmen vierentwintig mensen vóór roken. Drieëntwintig mensen stemmen tegen.
Eén stem verschil.
Dat is voldoende.
Als we democratie reduceren tot stemmen tellen, is de zaak beslist. Vierentwintig is meer dan drieëntwintig. De meerderheid heeft gesproken. Roken toegestaan.
Aan de zijkant zitten ondertussen drie mensen met astma. Zij mogen niet stemmen, terwijl juist zij de gevolgen van de beslissing rechtstreeks in hun longen zullen voelen.
En dan wordt het interessant om die rekensom één keer verder te maken.
Stel dat die drie mensen wél stemrecht hadden gehad. Het lijkt niet onredelijk te veronderstellen dat mensen met astma in een afgesloten bus tegen roken zouden stemmen. De uitslag was dan niet vierentwintig tegen drieëntwintig geweest.
Dan was het vierentwintig tegen zesentwintig.
De meerderheid was omgedraaid.
Dat vind ik een wezenlijk inzicht.
Dezelfde vijftig mensen zitten nog steeds in dezelfde bus. Niemand heeft zijn mening veranderd. Niemand is door een debat overtuigd. Niemand is van politieke voorkeur gewisseld. Het enige verschil is dat de drie mensen die de zwaarste gevolgen van het besluit ondervinden nu óók een stem hebben gekregen.
Opeens blijkt de zogenaamde meerderheid helemaal geen meerderheid van de mensen in de bus te zijn.
Het was uitsluitend een meerderheid van degenen die mochten stemmen.
En juist die drie mensen die niet mochten stemmen, waren de mensen voor wie de uitkomst het meest ingrijpend was.
Daarmee komt het busvoorbeeld akelig dicht bij de politieke werkelijkheid die mij zorgen baart.
Niet iedere Nederlander is tegen asielzoekers. Verre van dat. Veel mensen zetten zich juist in voor vluchtelingen, werken als vrijwilliger, begeleiden nieuwkomers, demonstreren tegen onmenselijk beleid of stemmen op politieke partijen die de bescherming van vluchtelingen belangrijk vinden. Onze samenleving bestaat gelukkig niet uit één blok dat zich tegenover asielzoekers heeft opgesteld.
Mijn zorg ontstaat wanneer binnen de stemgerechtigde bevolking een uiterst krappe politieke meerderheid ontstaat die steeds verdergaande maatregelen tegen deze groep accepteert of zelfs verlangt.
Dan krijg je feitelijk dezelfde situatie als in die bus.
Vierentwintig zeggen ja. Drieëntwintig zeggen nee.
En de drie voor wie de beslissing de meest ingrijpende gevolgen heeft, mogen niet stemmen.
Vervolgens zeggen we: de meerderheid heeft gesproken.
Welke meerderheid?
Dat is voor mij een veel belangrijkere vraag dan zij op het eerste gezicht lijkt.
Want wanneer mensen die rechtstreeks door ons beleid worden geraakt geen onderdeel kunnen zijn van de electorale meerderheid, rust op degenen die wél mogen stemmen een bijzondere verantwoordelijkheid. Hun afwezigheid uit het stemhokje maakt hun menselijke belangen niet kleiner.
Precies daarom is “de meerderheid wil het” voor mij geen afdoende democratisch argument.
We lijken steeds gemakkelijker te accepteren dat asielzoekers als afzonderlijke categorie mensen worden besproken. Niet als individuen met verschillende levens, achtergronden, redenen om te vluchten en mogelijkheden voor de toekomst, wel als een collectief maatschappelijk probleem. Zij worden verbonden aan woningnood, onveiligheid, druk op voorzieningen en verlies van nationale identiteit, waarbij de omvang en causaliteit van zulke claims lang niet altijd overeenkomen met wat feitelijk kan worden aangetoond.
Dat betekent niet dat asiel en migratie geen gevolgen hebben. Natuurlijk moeten we spreken over opvangcapaciteit, huisvesting, integratie, draagkracht en grenzen aan wat uitvoerbaar is. Een volwassen samenleving moet moeilijke vragen juist durven stellen.
Mijn zorg ontstaat wanneer die vragen veranderen in een politiek verhaal waarin één relatief kleine en kwetsbare groep steeds opnieuw als verklaring wordt gebruikt voor veel grotere maatschappelijke problemen.
Want wat kan die groep daar politiek tegenover zetten?
Zij kan demonstreren. Zij kan haar verhaal vertellen. Maatschappelijke organisaties kunnen voor haar opkomen. Journalisten kunnen onderzoek doen en burgers kunnen zich uitspreken. Alleen kan een asielzoeker tijdens de volgende Tweede Kamerverkiezingen niet zeggen: ik stem tegen de partij die mijn rechten wil beperken.
Dat maakt het politiek verleidelijk om juist bij zo’n groep grenzen te verleggen.
Wie maatregelen neemt die honderdduizenden stemgerechtigde Nederlanders rechtstreeks benadelen, kan daarvan bij verkiezingen de rekening krijgen. Wie maatregelen neemt tegen mensen zonder nationaal stemrecht, loopt dat electorale risico niet rechtstreeks.
Juist daarom behoort een democratische rechtsstaat op dat moment sterker te worden in plaats van zwakker.
En juist daarom maak ik mij zorgen wanneer het tegenovergestelde dreigt te gebeuren.
Wanneer politieke partijen steeds verdergaande voorstellen doen omdat kiezers daar ontvankelijk voor blijken te zijn, kan een gevaarlijke redenering ontstaan: als voldoende mensen het willen, zal het wel democratisch zijn. Wanneer vervolgens een meerderheid ontstaat voor een maatregel die fundamentele rechten van een kwetsbare groep aantast, wordt die meerderheid zelf gebruikt als morele rechtvaardiging.
Dan verandert democratie langzaam van een systeem dat macht begrenst in een systeem waarmee macht wordt gelegitimeerd.
De geschiedenis geeft voldoende redenen om daar buitengewoon voorzichtig mee te zijn.
Duitsland in de jaren dertig wordt vaak pas achteraf bekeken vanuit de verschrikkingen waarvan wij inmiddels weten waartoe zij hebben geleid. Daardoor vergeten we gemakkelijk dat ontmenselijking niet op één ochtend volledig gevormd uit de lucht kwam vallen. Daar gingen jaren van politieke taal, uitsluiting, propaganda, het aanwijzen van groepen als oorzaak van maatschappelijke problemen en het steeds verder normaliseren van onderscheid aan vooraf.
Nederland in 2026 is Duitsland in de jaren dertig niet. Die vergelijking één op één maken zou zowel historisch onzorgvuldig als onnodig zijn.
De waarschuwing uit die geschiedenis blijft desondanks relevant.
Een democratische samenleving kan zichzelf beschadigen wanneer voldoende mensen bereid raken de rechten van anderen ter discussie te stellen. Verkiezingen vormen daartegen geen automatische bescherming. Parlementen evenmin. Ook politieke meerderheden kunnen keuzes maken die uiteindelijk de fundamenten aantasten waarop hun eigen democratische vrijheid rust.
Daarom voelt de huidige politieke arena voor mij steeds vaker als een leeuwenkuil waarin de menselijkheid voortdurend op haar hoede moet zijn.
Niet omdat iedere discussie over migratie verdacht is. Niet omdat grenzen, opvang of terugkeer onbespreekbaar zouden zijn. Juist een democratie moet over zulke onderwerpen vrij en stevig kunnen discussiëren. Het gevaar ontstaat wanneer de mens achter het onderwerp verdwijnt en een categorie overblijft waarop maatschappelijke angst, frustratie en onvrede kunnen worden geprojecteerd.
Dan wordt taal belangrijk.
Wie mensen consequent beschrijft als een last, bedreiging of probleem, verandert uiteindelijk ook de ruimte waarbinnen politieke oplossingen denkbaar worden. Een maatregel die gisteren onmenselijk werd gevonden, kan morgen bespreekbaar zijn en overmorgen als noodzakelijk worden gepresenteerd.
Niet noodzakelijk omdat de feiten fundamenteel veranderd zijn, wel doordat onze morele grens langzaam is verschoven.
Daar komt nog iets bij wat in het Nederlandse debat te weinig aandacht krijgt.
De problemen die we vandaag in de Nederlandse asielketen zien, zijn niet uitsluitend het gevolg van het aantal mensen dat bescherming zoekt. De asielketen is door politieke keuzes jarenlang kwetsbaar gemaakt. Opvangcapaciteit werd in perioden van lagere instroom afgebouwd, waarna bij een volgende stijging opnieuw locaties moesten worden gezocht en dure noodopvang noodzakelijk werd. De overheid constateerde in 2024 zelf dat veel tijdelijke locaties sloten, te weinig nieuwe locaties werden geopend en bestaande locaties vol zaten. Ook de gebrekkige doorstroom van statushouders houdt grote aantallen opvangplaatsen bezet. Zelfs toen het aantal eerste asielaanvragen in 2024 met zestien procent daalde, bleef de druk op de opvang groot.
De politieke koers van de afgelopen jaren, en zeer nadrukkelijk die van de afgelopen twee jaar, heeft tegelijkertijd sterk ingezet op versobering, beperking en het verder aanscherpen van het asielbeleid. Het kabinet presenteerde in 2024 zelf wat het het strengste asielregime ooit noemde, met beperking van nareis, strengere toelatingsregels en een nadrukkelijke inzet op terugkeer en beperking van de instroom. Die koers werd in 2025 voortgezet.
Dat heeft gevolgen.
Wanneer je een systeem jarenlang weinig structurele ruimte geeft om schommelingen op te vangen, wordt iedere nieuwe stijging sneller een crisis. Wanneer opvanglocaties verdwijnen en later opnieuw moeten worden gezocht, ontstaan noodoplossingen. Wanneer procedures vastlopen, blijven mensen langer in de opvang. Wanneer statushouders door woningtekorten niet kunnen doorstromen, blijven opvangplaatsen bezet. In 2025 zat ongeveer een kwart van de opvangcapaciteit vol met mensen die al een verblijfsvergunning hadden, terwijl ongeveer 30.000 mensen in noodopvang verbleven.
En vervolgens ziet de samenleving overvolle opvanglocaties, noodopvang, mensen die lang moeten wachten en gemeenten die opnieuw naar plekken zoeken.
De zichtbare problemen worden groter.
Daarmee groeit ook de maatschappelijke irritatie.
En precies daar ontstaat een gevaarlijke cirkel.
Jarenlang beleid heeft de asielketen kwetsbaar gemaakt. De problemen die daardoor mede ontstaan of groter worden, worden zichtbaar in de samenleving. De maatschappelijke wrijving neemt toe. Vervolgens wordt die wrijving gebruikt als bewijs dat asielzoekers zelf het probleem zijn en groeit de politieke steun voor nog harder beleid tegenover de mensen die afhankelijk zijn van diezelfde asielketen.
Zo kan beleid zijn eigen politieke rechtvaardiging creëren.
Dat vind ik een ontwikkeling waar we buitengewoon waakzaam voor moeten zijn.
Want wanneer we vervolgens opnieuw zeggen dat een meerderheid strengere maatregelen wil, zijn we terug bij die bus.
Vierentwintig mensen willen roken.
Drieëntwintig mensen willen dat niet.
Drie mensen met astma mogen niet stemmen.
Alleen hebben we inmiddels ook de ventilatie van de bus jarenlang onvoldoende onderhouden. De ramen kunnen nauwelijks open en de luchtverversing functioneert slecht. De rook blijft daardoor langer hangen en iedereen krijgt steeds meer last van de situatie.
En vervolgens wijzen we naar de drie mensen met astma alsof zij het probleem van de bus zijn.
Daarmee wordt de metafoor voor mij compleet.
De maatschappelijke spanning die we ervaren is niet los te zien van de politieke keuzes die eraan voorafgingen. Wie systemen verzwakt, vergroot de kans dat problemen zichtbaar worden. Wie vervolgens die problemen gebruikt om een kwetsbare groep verder onder druk te zetten, brengt een beweging op gang waarin oorzaak en gevolg steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn.
Daar ligt de glijdende schaal die mij zorgen baart.
Nederland houdt niet van de ene op de andere dag op een democratische rechtsstaat te zijn. Onze grenzen van menselijkheid verschuiven telkens een stukje wanneer we accepteren dat de rechten van een kwetsbare groep afhankelijk worden van politieke populariteit.
Een grens verschuift. Een woord wordt gewoner. Een maatregel die eerder ondenkbaar leek, wordt bespreekbaar. Een kwetsbare groep krijgt steeds meer verantwoordelijkheid toegeschreven voor problemen die veel grotere en complexere oorzaken hebben. Vervolgens ontstaat een politieke meerderheid voor een volgende stap en zeggen we opnieuw dat dit nu eenmaal democratie is.
Precies daar moeten we ophouden met uitsluitend stemmen tellen.
Kinderen hebben bijvoorbeeld evenmin stemrecht voor de Tweede Kamer. Toch accepteren we niet dat hun belangen daarom zonder betekenis zijn. Integendeel, juist doordat kinderen zichzelf politiek niet via verkiezingen kunnen verdedigen, verwachten we van volwassenen en bestuurders dat zij hun belangen meewegen. Politieke macht is geen voorwaarde om bescherming te verdienen.
Dat principe behoort veel breder te gelden.
Democratie is geen wedstrijd waarbij 51 procent na de finishlijn eigenaar wordt van de andere 49 procent. Zij is een manier om macht te organiseren én te begrenzen. Verkiezingen bepalen wie tijdelijk verantwoordelijkheid krijgt om besluiten te nemen. De rechtsstaat helpt bepalen hoever die macht mag reiken. Onze menselijkheid bepaalt uiteindelijk wat wij met die ruimte willen doen.
Daarom is de zin “de meerderheid heeft ervoor gekozen” nooit het einde van een democratisch gesprek.
Eigenlijk zou het het begin van een volgende vraag moeten zijn.
Wat betekent onze keuze voor degene die niet tot onze meerderheid behoort?
En nog belangrijker: wat betekent zij voor degene die niet eens mocht meestemmen?
De bus met vijftig passagiers laat uiteindelijk iets heel eenvoudigs zien. Vierentwintig mensen kunnen een stemming volkomen eerlijk winnen van drieëntwintig anderen. We kunnen de stemmen tellen, de uitslag vaststellen en tevreden constateren dat het democratische proces correct is verlopen.
Totdat we naar de drie mensen kijken die niet mochten stemmen.
Dan blijkt vierentwintig ineens geen meerderheid van vijftig te zijn.
Dan blijkt dat drie stemmen die nooit uitgebracht mochten worden de hele uitkomst hadden kunnen veranderen.
En dan wordt zichtbaar waarom democratie zoveel meer is dan rekenen.
Juist in een tijd waarin maatschappelijke problemen groter worden, politieke taal harder wordt en kwetsbare mensen steeds gemakkelijker verantwoordelijk worden gemaakt voor problemen die zij niet hebben veroorzaakt, moeten we dat blijven beseffen.
De glijdende schaal waarop we ons bevinden wordt gevaarlijk zodra we de uitslag van een stemming verwarren met de grenzen van wat een democratische rechtsstaat behoort toe te staan. Een meerderheid kan een politieke keuze winnen en toch een verkeerde keuze maken. Zij kan zelfs een onmenselijke keuze maken.
Daarom beschermt een democratie niet alleen de meerderheid die haar stem kan uitbrengen.
Zij beschermt juist de mens die dat niet kan.