Ja, dat mocht ik willen…

Een paar maanden geleden schreef ik een blog met de titel Wie heeft hier eigenlijk de beperking? Die vraag ontstond tijdens mijn ritten in het bijzonder vervoer. Ritten met mensen die we in onze samenleving vaak omschrijven als mensen met een beperking. Een aanduiding die praktisch kan zijn, omdat zorg georganiseerd moet worden en ondersteuning ergens een naam moet krijgen. Tegelijkertijd merkte ik tijdens die ritten steeds vaker dat het woord mij aan het denken zette. Want zodra wij iemand een beperking toeschrijven, lijkt bijna automatisch vast te staan wie aan welke kant van de denkbeeldige lijn staat.

Vandaag kwam die vraag onverwacht bij mij terug.

Tijdens een van mijn ritten kwam ik in een wooncentrum voor mensen met een beperking. In de hal hing een poster. Zo’n poster waar je gemakkelijk aan voorbij zou kunnen lopen, zeker wanneer je onderweg bent, bezig bent met je planning en met degene die je brengt of ophaalt. Toch bleef mijn blik hangen.

Bovenaan stond één woord: Gelijkenis…

Ik begon te lezen.

De schrijver, Jan Eradus, vertelt over zijn zus. Wanneer hij zegt dat zij helemaal op hem lijkt, kijken mensen hem volgens zijn eigen woorden vaak wat meewarig aan. Zijn zus heeft het syndroom van Down. Hij noemt zichzelf vervolgens iemand met het syndroom van Jantje Doorsnee.

Ik glimlachte om die formulering. Tegelijkertijd voelde ik al vrij snel dat er achter die lichte toon iets veel groters verborgen zat.

Want vervolgens beschrijft hij waarin hij en zijn zus volgens hem juist helemaal niet op elkaar lijken. Haar blijheid kan hij niet evenaren. Haar onvoorwaardelijke geloof in mensen, zonder aanzien des persoons, ligt hem minder goed. En gewoon genieten om het genieten, daarvan weet hij niet goed hoe dat eigenlijk moet.

Aan het einde schrijft hij dat hij wel op haar zou willen lijken.

Daar stond ik.

In een hal van een wooncentrum, tijdens een gewone werkdag, kijkend naar een tekst die in enkele regels vrijwel dezelfde vraag stelde als de vraag waar ik maanden geleden een hele blog voor nodig had.

Wie heeft hier eigenlijk de beperking?

Het raakte me meer dan ik had verwacht. Zozeer zelfs dat ik erover in gesprek raakte met een van de begeleiders. Ik vertelde hoe mooi ik de tekst vond en waarom hij mij zo raakte. Niet alleen vanwege de woorden zelf, ook vanwege de herkenning. Het voelde alsof ik een gedachte terugvond die al langer met mij meereist, alleen nu uitgesproken door iemand anders en vanuit een andere persoonlijke ervaring.

Sinds ik regelmatig mensen vervoer die officieel een beperking hebben, ben ik anders naar dat begrip gaan kijken. Natuurlijk bestaan beperkingen. Mensen kunnen ondersteuning nodig hebben bij leren, communiceren, bewegen, wonen of het organiseren van hun dagelijks leven. Daar hoeven we niet ingewikkeld over te doen en daar hoeven we evenmin iets romantisch van te maken.

Toch vertelt zo’n vastgestelde beperking nooit het hele verhaal van een mens.

Wij zijn bijzonder goed geworden in het vaststellen van wat iemand niet kan. We hebben onderzoeken, diagnoses, indicaties, dossiers en categorieën ontwikkeld waarmee we dat heel precies kunnen beschrijven. Dat is voor een deel noodzakelijk, omdat mensen recht hebben op passende zorg en ondersteuning. Alleen ontstaat ongemerkt het gevaar dat de beschrijving van een beperking verandert in een beschrijving van de persoon.

Dan wordt iemand degene mét de beperking en worden wij degenen zonder.

Juist daar begon mijn eerdere blog.

Tijdens mijn ritten ontmoet ik mensen die zich weinig aantrekken van veel van de sociale mechanismen waar wij ons dagelijks door laten leiden. Ze vragen rechtstreeks wat ze willen weten. Ze kunnen zichtbaar blij zijn wanneer ze je zien. Ze vertellen dat ze je gemist hebben. Ze zingen mee wanneer er een liedje opstaat dat ze mooi vinden. Ze lachen wanneer iets grappig is en laten merken wanneer iets hen verdrietig maakt.

Niet iedereen doet dat op dezelfde manier. Ook binnen deze groep bestaat vanzelfsprekend een enorme verscheidenheid aan persoonlijkheden, mogelijkheden en karakters. Toch kom ik in mijn werk regelmatig een openheid tegen die mij confronteert met mijn eigen manier van leven.

Want hoeveel filters hebben wij eigenlijk opgebouwd?

We leren al vroeg wat hoort en wat niet hoort. We leren rekening te houden met hoe anderen ons zien. We leren onze woorden af te wegen, onze emoties te beheersen en onze kwetsbaarheid zorgvuldig te doseren. We leren status herkennen, prestaties vergelijken en mensen bewust of onbewust indelen. We leren dat het verstandig kan zijn eerst even te kijken wie iemand is voordat we bepalen hoeveel van onszelf we laten zien.

Veel daarvan helpt ons om in een complexe samenleving te functioneren. Tegelijkertijd raken we onderweg ook iets kwijt.

Het vermogen om gewoon blij te zijn omdat iemand binnenkomt.

Het vertrouwen waarmee je iemand tegemoet kunt treden zonder eerst diens positie, opleiding, uiterlijk, achtergrond of nut te bepalen.

Het vermogen om te genieten zonder je af te vragen of dat genieten ergens toe leidt.

Precies daarom kwam die poster vandaag zo binnen.

De schrijver vergelijkt zichzelf niet met zijn zus door te onderzoeken wat zij minder goed kan dan hij. Hij draait de blik om. Hij kijkt naar haar en vraagt zich af wat zij bezit wat hij zelf onvoldoende heeft weten te bewaren.

Daarmee verandert de hele betekenis van het woord beperking.

Want wat gebeurt er wanneer we onze menselijke mogelijkheden langs een andere meetlat leggen?

Wanneer niet alleen zelfstandigheid, intelligentie, snelheid en maatschappelijke productiviteit meetellen, ook onbevangenheid, vertrouwen, vreugde, oprechtheid en het vermogen om een ander zonder voorbehoud tegemoet te treden?

Hoe onbeperkt zijn wij dan eigenlijk?

Die vraag vind ik interessanter dan het zoeken naar een nieuw etiket. Het gaat mij er niet om de rollen om te draaien en voortaan de ene groep beperkt en de andere onbeperkt te noemen. Daarmee zouden we opnieuw precies hetzelfde doen: mensen indelen langs een meetlat die nooit een volledig mens kan bevatten.

Het gaat om iets anders.

Om de bereidheid onze eigen vanzelfsprekendheden te onderzoeken.

We kijken vaak naar mensen met een beperking vanuit de gedachte dat wij iets voor hen kunnen betekenen. We begeleiden, verzorgen, vervoeren, ondersteunen en helpen. Dat is waardevol en vaak noodzakelijk. Tegelijkertijd kunnen we ons afvragen wat zij ons laten zien over onszelf.

Dat ervaar ik tijdens mijn ritten steeds opnieuw.

Ik ben de chauffeur. Ik breng iemand van de ene plek naar de andere. Op papier is de verhouding helder. Toch stap ik regelmatig aan het einde van zo’n rit uit met het gevoel dat degene die ik vervoerde mij onderweg iets heeft meegegeven.

Een lach. Een onverwachte vraag. Een ongefilterde reactie. Een klein moment van vertrouwen. Een herinnering aan hoe eenvoudig menselijk contact kan zijn wanneer we niet voortdurend bezig zijn met wat ervan gevonden wordt.

Vandaag hoefde er niemand naast mij in de bus te zitten om mij dat opnieuw te laten ervaren.

Het hing gewoon aan de muur.

Een poster in een hal.

Geschreven door iemand die naar zijn zus keek en kennelijk ontdekte dat gelijkenis veel ingewikkelder is dan wij doorgaans denken. Dat je kunt kijken naar alles waarin iemand van de norm afwijkt en tegelijkertijd volledig over het hoofd kunt zien waarin diezelfde persoon iets bezit waar je zelf naar verlangt. Daarom bleef vooral die laatste gedachte bij mij. Niet dat zijn zus meer op hem zou moeten lijken. Hij zou graag meer op haar lijken. Dat is een wereld van verschil.

Sinds mijn eerste blog is mijn vraag niet verdwenen. Door mijn werk wordt hij eerder steeds opnieuw gevoed. Vandaag kreeg hij een paar nieuwe woorden, afkomstig van een poster die ik niet kende en waar ik niet naar op zoek was.

En juist daardoor kwam hij opnieuw binnen.

We kunnen heel precies omschrijven waarin een ander beperkt is. We beschikken over woorden, diagnoses en systemen om dat vast te leggen. De veel moeilijkere vraag is welke beperkingen wij in onszelf niet meer herkennen, eenvoudigweg omdat bijna iedereen om ons heen ze ook heeft.

  • Ons oordeel.
  • Onze voorzichtigheid.
  • Onze behoefte aan aanzien.
  • Onze moeite om onbevangen te vertrouwen.
  • Ons onvermogen om af en toe gewoon te genieten om het genieten.

Daar bestaat geen indicatie voor en niemand krijgt er een dossier voor.

Toch stond ik vandaag in die hal te kijken naar iemand die mij, zonder mij ooit ontmoet te hebben, opnieuw dezelfde vraag liet stellen. Wie heeft hier eigenlijk de beperking? En toen ik de laatste woorden van Jan Eradus nog eens las, wist ik eigenlijk dat ik daar niets meer aan hoefde toe te voegen.

Wij op elkaar lijken? Ja, dat mocht ik willen…

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.