Het is een beeld dat bijna iedereen kent. Zodra iemand weigert een probleem onder ogen te zien, zeggen we dat diegene zijn kop in het zand steekt. We hoeven nauwelijks uit te leggen wat we ermee bedoelen. De struisvogel heeft in onze taal de twijfelachtige eer gekregen symbool te staan voor ontkenning. Voor wegkijken wanneer de werkelijkheid ongemakkelijk wordt. Voor doen alsof gevaar verdwijnt wanneer je het niet meer ziet.
Alleen doet de struisvogel dat helemaal niet.
Een struisvogel steekt zijn kop niet in het zand. Ook niet wanneer hij bang is, ook niet om zich te verstoppen en ook niet om te doen alsof gevaar niet bestaat. Het bekende beeld van een struisvogel met zijn kop onder de grond berust op een mythe.
Die mythe is waarschijnlijk ontstaan doordat struisvogels hun lange nek en kop dicht bij de grond kunnen houden. Dat doen ze onder andere wanneer ze zich bij gevaar minder zichtbaar proberen te maken. Ook verzorgen ze hun eieren in een ondiepe kuil in de grond. Van een afstand kan daardoor de indruk ontstaan dat de kop in de aarde verdwijnt. Wie beter kijkt, ziet iets anders: de kop zit niet onder de grond.
Daar zit iets grappigs in, omdat de werkelijkheid vrijwel het tegenovergestelde vertelt van de betekenis die wij eraan hebben gegeven. De struisvogel heeft het gevaar namelijk wél gezien. Hij ontkent niet wat er gebeurt en doet niet alsof de bedreiging niet bestaat. Hij reageert juist op de werkelijkheid die hij waarneemt. Zijn kop gaat naar beneden omdat hij zichzelf probeert te beschermen.
En vervolgens hebben wij mensen van dat gedrag een uitdrukking gemaakt voor iets wat vooral wijzelf heel goed kunnen.
Wegkijken.
Ik vind wegkijken iets anders dan machteloos zijn. Dat onderscheid lijkt mij belangrijk. Je kunt iets zien en werkelijk niet weten hoe je het moet veranderen. Je kunt getuige zijn van onrecht en onvoldoende invloed hebben om het te stoppen. Je kunt zien dat iemand slecht wordt behandeld en bang zijn voor de gevolgen wanneer je ingrijpt. Angst kan mensen verlammen. Machteloosheid kan echt zijn. Niet ieder mens beschikt op ieder moment over de mogelijkheid, de positie of de moed om een situatie te veranderen.
Dat betekent nog niet dat je wegkijkt.
Je kunt namelijk blijven zien wat er gebeurt. Je kunt erkennen dat iets verkeerd is. Je kunt luisteren naar degene die eronder lijdt. Je kunt jezelf verdiepen in wat er werkelijk aan de hand is en eerlijk erkennen dat je op dat moment niet wist wat je moest doen. Zelfs de pijnlijke erkenning dat je niet durfde in te grijpen, vraagt nog altijd dat je naar de werkelijkheid kijkt.
Wegkijken begint voor mij op een ander punt. Het begint wanneer we liever niet willen weten.
Daar wordt het ongemakkelijk, omdat wegkijken in mijn ogen uiteindelijk vaak terug te voeren is op lafheid of onverschilligheid. Lafheid wanneer we de werkelijkheid niet willen onderzoeken omdat die iets van ons zou kunnen vragen. Onverschilligheid wanneer het ons onvoldoende interesseert wat die werkelijkheid met een ander doet. Beide kunnen zich heel netjes vermommen. We kunnen zeggen dat een onderwerp ingewikkeld is, dat we niet alle feiten kennen, dat iedereen wel ergens schuld aan heeft of dat we ons niet overal mee kunnen bemoeien. Daar kan op zichzelf allemaal waarheid in zitten. Tegelijk kunnen zulke gedachten een comfortabele plek worden waar we ons terugtrekken zodra werkelijk kijken te dichtbij komt.
Dat gebeurt in het klein en in het groot. We kunnen signalen zien dat iemand in onze omgeving niet goed wordt behandeld en besluiten ons er niet mee te bemoeien. We kunnen horen hoe over groepen mensen wordt gesproken en het gemakkelijker vinden om stil te blijven. We kunnen maatschappelijke problemen reduceren tot een paar eenvoudige zinnen, zodat we ons niet hoeven te verdiepen in de mensen die achter statistieken, nieuwsberichten en politieke discussies verdwijnen. We kunnen zelfs besluiten dat iets wel mee zal vallen, eenvoudigweg omdat erkennen dat het níét meevalt betekent dat we onze eigen overtuigingen opnieuw moeten bekijken.
Daarom vind ik de vergelijking met de struisvogel steeds interessanter naarmate ik er langer over nadenk. Het dier dat wij als symbool voor ontkenning gebruiken, doet juist iets heel rationeels. Het neemt waar, beoordeelt het gevaar en probeert zichzelf in veiligheid te brengen. Dat is geen ontkenning van de werkelijkheid. Dat is handelen op basis van de werkelijkheid.
Wij mensen beschikken over veel meer mogelijkheden om te begrijpen wat er om ons heen gebeurt. We kunnen lezen, vragen stellen, luisteren, onderzoeken en onze eerste indruk corrigeren. We kunnen verschillende kanten van een verhaal bekijken en ontdekken dat de werkelijkheid ingewikkelder is dan het beeld waarmee we begonnen. Juist daardoor wordt wegkijken ook een keuze. Niet iedere keer bewust en niet iedere keer met slechte bedoelingen, wel een keuze om onze blik ergens van af te wenden terwijl we die ook ergens op zouden kunnen richten.
Dat betekent niet dat we ieder probleem in de wereld moeten oplossen. Die opdracht zou ieder mens verpletteren. Niemand kan al het leed dragen, ieder onrecht bestrijden of bij iedere gebeurtenis persoonlijk ingrijpen. De verantwoordelijkheid om te kijken is veel kleiner en tegelijkertijd fundamenteler. Het vraagt dat we de werkelijkheid niet ontkennen omdat zij ons slecht uitkomt. Dat we bereid blijven iets te weten te komen wat onze overtuiging kan veranderen. Dat we een ander mens werkelijk proberen te zien voordat we een oordeel over hem vormen. Dat we onrecht niet kleiner maken omdat het gemakkelijker leeft wanneer het ver weg blijft.
Kijken lost op zichzelf nog niets op. Het maakt handelen wel mogelijk. Wie niet wil zien wat er gebeurt, hoeft zichzelf ook nooit de vraag te stellen wat hij ermee moet. Wie wel kijkt, kan vervolgens nog steeds tot de conclusie komen dat zijn mogelijkheden beperkt zijn. Alleen is dat een andere positie. Dan heb je de werkelijkheid ten minste toegelaten.
Het bijzondere is dat onze oude uitdrukking daardoor bijna bruikbaar blijft, zolang we de struisvogel eruit halen. De behoefte om onze kop in het zand te steken bestaat wel degelijk. Alleen hebben we eeuwenlang het verkeerde dier beschuldigd.
De struisvogel verdient op dat punt enig eerherstel. Wanneer gevaar zich aandient, probeert hij het niet uit zijn werkelijkheid te laten verdwijnen. Hij ziet het en reageert erop. Zijn kop dicht bij de grond is geen teken van ontkenning, het is een reactie op wat hij heeft waargenomen.
De vraag die overblijft, gaat daardoor niet meer over de struisvogel. Die gaat over onszelf. Over wat wij doen wanneer de werkelijkheid ongemakkelijk wordt, wanneer kijken consequenties kan hebben en wanneer werkelijk begrijpen vraagt dat we onze veilige overtuigingen even loslaten.
De struisvogel steekt zijn kop niet in het zand.
Dat verhaal hebben wij ervan gemaakt.
En zolang we naar hem blijven wijzen, hoeven we in ieder geval niet naar onszelf te kijken.