Ik schreef er al eens over, op 31 maart 2021. Toen had ik het over een “museumdag” maken van elke dag in je leven. En eigenlijk blijft dat beeld me sindsdien vergezellen – zeker sinds ik Walking for Humanity ben gaan lopen. Want nergens werd zo duidelijk als onderweg hoe een dag, een ontmoeting, een klein gebaar, het verschil kan maken in wat je nalaat.
Stel je voor dat elk etmaal van je leven werd opgetekend. Niet alleen de hoogtepunten, maar ook de momenten waarop je afdwaalde, haast had, of vergat te luisteren. Hoe je je voelde, wie je sprak, hoe je je tijd besteedde. En stel dat er aan het eind van je leven een museum gebouwd werd. Een museum waarin men precies kan zien hoe je door het leven gegaan bent. Een plek waar alles zichtbaar wordt: Wat je liefhad, waar je aan voorbijging, wat je aandacht gaf en wat je liet verslappen.
Als je tachtig procent van je tijd besteed hebt aan een baan die je niet leuk vond, dan zou tachtig procent van het museum gaan over het proberen volhouden van iets dat je diep van binnen leeg trok. Als je in gesprekken mild en oprecht was, zou dat zichtbaar zijn in open ramen, warme foto’s, gedeelde momenten. Maar als je vaak boos, moe of afwezig was, dan zou ook dat een zaal vullen. De muren zouden echoën van wat onuitgesproken bleef.
En stel dat je altijd zei: “Ik houd van de natuur, van wandelen, van verbinding, van het echte leven,” maar dat je daar slechts twee procent van je dagen aan besteedde — dan zou dat ook maar twee procent van je museum innemen.
Soms, tijdens Walking for Humanity, voelde het alsof ik door dat museum liep. Alleen dan nog tijdens het bouwen ervan. Elke etappe liet iets zien van wie ik was, of wilde zijn. De dag dat ik met Meb liep – een vriend die ooit als vluchteling in Nederland aankwam – herinnerde me eraan hoeveel er schuilgaat achter een blik, een verhaal, een verleden. Die dag voelde als een zaal vol menselijkheid. Een andere keer liep ik uren alleen, door de regen, met alleen mijn gedachten. Dat waren de zalen waarin stilte hing. Waar je jezelf tegenkomt, maar ook leert luisteren naar wat je anders overschreeuwt.
Langs de paden, tussen de dorpen, werd het museum levend. Ik merkte dat de momenten die het meest betekenisvol voelden, zelden de grootse waren. Het waren die onverwachte ontmoetingen, het kopje koffie in een schuur, de glimlach van iemand bij wie je even mocht schuilen. Als ik me voorstel dat mijn leven ooit als museum te zien zou zijn, dan hoop ik dat daar veel van die momenten in hangen. Eenvoudige, echte, menselijke.
En stel nu dat het hiernamaals — of hoe je het ook maar wilt noemen — bestaat uit het voor eeuwig rondleiden van bezoekers door dat museum. Je zou dan niet vertellen over je ambities of idealen, maar over hoe je werkelijk hebt geleefd. Over wat je hebt gedaan met de tijd die je kreeg. Misschien zou ik in zo’n rondleiding laten zien hoe ik ooit besloot om Walking for Humanity te lopen. Niet omdat ik alles wist, maar omdat ik wilde voelen. Omdat ik de tijd wilde nemen om te luisteren — naar anderen, naar mezelf, naar de aarde onder mijn voeten.
En misschien zou ik de bezoekers meenemen naar die ene dag waarop ik in Zuidlaren aankwam, moe maar voldaan, en dacht: Als ik één mens heb geraakt, dan was het een goede dag. Want dat is wat ik hoop dat mijn museum laat zien: niet perfectie, maar intentie. Niet succes, maar menselijkheid.
We bouwen dat museum elke dag. Vandaag ook. Met elk gesprek dat we voeren, met elke keuze die we maken om aanwezig te zijn in plaats van afgeleid, voegen we iets toe aan de tentoonstelling van ons leven. De vraag is niet of dat museum ooit afkomt, maar wat voor dag je eraan toevoegt. Is het een dag vol haast, routine en ruis? Of is het een dag waarin je wandelt, luistert, lacht, iemand écht ziet? Elke stap telt. Elke glimlach, elk gesprek, elke ademtocht in de buitenlucht. Dat zijn de momenten waarmee we de muren van ons museum kleuren.
Dus misschien is dat de enige vraag die we vandaag hoeven te stellen: Is het een museumdag vandaag?